Een populair damboekje

door Jan de Ruiter

In de 19e eeuw kon de damliefhebber kiezen uit twee damboeken [1]: het ‘zware’ werk van E. van Emden en het ‘luchtige’ werkje met problemen van, voornamelijk, B.W. Blijdenstein.
K. W. Kruijswijk schreef uitvoerig over dit werkje in ‘Benjamin Willem Blijdenstein (1780 – 1857) Damauteur en damproblemist’, dat in 1988 bij L’Esprit, Rosmalen verscheen. Ook R.C.B. Jansen geeft informatie over dit boekje in zijn ‘Schatplichtig aan Caïssa’ uit 1992 [2].
Aangezien de laatste jaren nieuwe informatie over het boekje is opgedoken, volgt onderstaand een, nog steeds onvolledig, overzicht van de verschillende uitgaven en bekijken we welke informatie over de boekjes beschikbaar is, terwijl we ons tegelijkertijd realiseren dat er nog steeds ruimte is voor nieuwe en aanvullende informatie.

Het boekje verscheen onder drie verschillende titels:
A.  Verzameling van zetten op het dambord.
B.  Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel.
C.  Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel.

         Jaar   Uitgever   Drukker   Plaats
1   A   1826   A. May van Vollenhoven       Rotterdam
2   B   1836   M.J. Luyks   P.J. Masier   Rotterdam
3   B   1840   J.A. van Belle       Rotterdam
4   C   1842*   M. Moolenyzer       Amsterdam
5   C   1851   Gebr. Diederichs   W.J. Gröber   Amsterdam
6   C   185?*   Gebr. Diederichs   H.J. Koster   Amsterdam
7   B   1859*   G. Theod. Bom       Amsterdam
8   B   1866   G. Theod. Bom       Amsterdam
9   B   1880(?)   G. Theod. Bom       Amsterdam
10   C   1886*   Firma Thomas       Weesp
11   C   188?   P.J. Verlooij       Rotterdam
12   C   18??   Hendriksen       Rotterdam


De uitgaven met een * waren tot voor kort, juni 2010, in de damwereld onbekend.
 

[1] Het boekje van Van Buuren behandelt ook het trictrac en domino – edities 1879 en 1899
[2] Het grootste deel van de teksten bij de jaren 1826, 1836, 1840 en 1851 is overgenomen uit genoemde bronnen. In 1983 publiceerde K.W. Kruijswijk een artikel over Blijdenstein in ‘Jubileumblad ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van E.D.C. 1933/1983’.

1. 1826 [3] - Verzameling van zetten op het dambord

Dit boekje, dat uit twee deeltjes bestaat met doorlopende paginering van 1 tot en met 48, werd in 1826 uitgegeven door A. May van Vollenhoven, Hoogstraat 51, te Rotterdam.

Een handtekening van de uitgever bevestigd de ‘echtheid’ van een exemplaar:

 

Deze uitgave kent geen voorbericht of inleiding. In het standaardwerk ‘Le Damier’ (verschenen in 4 delen tussen 1881/1887) van G. Balédent zijn 51 problemen opgenomen, waarvan er 33 op naam van Blijdenstein en 17 op naam May van Vollenhoven zijn gesteld. Probleemnummer 14 is van E. van Emden. Een andere bron waarin de auteursnamen voorkomen is niet bekend[4].

Een advertentie in de Nederlandsche Staatscourant maakt duidelijk dat het boekje begin 1826 verscheen en werpt de vraag op of het tweede deeltje op een later tijdstip werd uitgebracht:

2.[6] 1836 - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

Na het boekje van Van Vollenhoven uit 1826 verscheen in 1836 (zoals vermeld in de ‘Alphabetische naamlijst van boeken 1833-1849, blz. 267) een bewerkte versie van het boekje uit 1826 bij M.J. Luyks te Rotterdam. Op de keerzijde van het titelblad is vermeld: ‘ter Drukkerij van P.J. Masier’.

3. 1840 - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

In 1838 neemt de Uitgever J.A. van Belle, Rotterdam het boekje over, en publiceert in Nieuwsblad voor den Boekhandel 1838, ’s Gravenhage, S. de Visser en Zoonhet volgende:

785.) J. A. Van BELLE, Uitgever te Rotterdam, Eig. naar geworden zijnde van het Werkje : Handleiding tot de Oefening en Kennis van het Damspel, berigt hiermede dat hetzelve, uit hoofde der weinig overig zijnde Exemplaren, niet algemeen in commissie kan verzonden worden! Aan de franco aanvragen daartoe zal echter dadelijk gev. worden gegeven. Prijs f o.4o, verk. f o.5o, in plaats van f o.48 , verk. ƒ 0.60.

Uit bovenstaande tekst kan men afleiden dat het boekje uit 1836 in een behoefte voorzag en goed verkocht.
J.A. van Belle komt in 1840 zelf met een nieuwe uitgave. De achterkant van de omslag bevat de tekst: “Prijs 50 cents”. Deze uitgave betreft dezelfde druk als die van 1836, maar is voorzien van een nieuwe omslag. De titel bleef gelijk. Aan de hand van de ‘Alphabetische naamlijst van boeken’, (blz. 267, is deze uitgave te dateren op 1840.
image004
4. 1842 - Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

In 1842 verschijnt het boekje opeens bij M. Moolenyzer te Amsterdam:

image005

 De titel wijkt af van de uitgaven van 1840 en 1836. Een exemplaar van deze uitgave is nog niet gevonden.
5. 1851 - Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

In 1850 nam Diederichs het fonds Moolenyzer over[9] waarin zich 460 exemplaren bevonden van de 1842(?)-uitgave. Daarna kwam hij zelf in 1851 op de markt met de ‘Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten’. Tweede druk. Amsterdam, Gebroeders Diederichs 1851. Gedrukt bij W.J. Gröber.
Naast de titel, heeft deze uitgave, die 40 bladzijden telt in het formaat 12,5 x 8,5 cm., nog meer verschillen met die van 1836(1840), zoals uit onderstaand overzicht blijkt:
blz. 1-2 : voortitel met aan keerzijde genummerd diagram.
blz. 3-4 : titelblad met aan de keerzijde de tekst: ‘Gedrukt bij W.J. Kröber’.
blz. 5-10 : De geest van het damspel. Met enige cijferstanden.
blz. 11-40 : Verschillende positiën en uitkomsten ter oefening in het damspel.

6. 185? - Handleiding tot de kennis en (be)oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

Over de editie van 1851 bestaat echter ook nog de volgende vermelding in de ‘Alphabetische naamlijst van boeken, plaat- en kaartwerken 1850-1862’, uit 1866, C.L. Brinkman:

image012

 Is H.G. Koster de drukker van deze uitgave?
7. 1859 - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

In 1859 kwam G. Theod. Bom met het boekje op de markt. Deze uitgave is tekstueel identiek aan de uitgave van 1836(1840), alleen het formaat wijkt iets af. De gegevens:
Formaat : 13,1 x 8,1 cm.
blz. I : Voorblad
blz. III : Titelblad
blz. V–VII : Voorberigt.
blz. 1-8 : Het damspel. Uitvinding en aard.
blz. 9-17 : Geest van het spel.
blz. 18-66 : Positien en uitkomsten.
Tegenover 66 : Uitklapbaar dambord (oude notatie/ligt uitgeklapt naast het boekje, zodat de veldnummering zichtbaar is)

Rob Jansen[10] heeft ontdekt dat G. Th. Bom in 1865 uit het fonds ‘Diederichs’ 1304 exemplaren kocht van de handleiding. Hoe dit te rijmen valt met de uitgave van 1859 is niet duidelijk.

8. 1866 - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

De uitgave in 1866 is een qua tekst getrouwe kopij van de editie van 1836(1840). Door de wijziging van het formaat, 16,5 x 10,5 cm., kon het aantal bladzijden worden verminderd tot 31, waaraan een vouwblad met genummerd diagram werd toegevoegd. De tekst van het titelblad luidt als volgt:
‘Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel, met eene opgave van meer dan zestig positie en uitkomsten. Tweede druk, Amsterdam G. Theod. Bom’.
Het boekje is blijkens de ‘Nederlandse Bibliographie No. 4 – mei 1866’ - Den Haag, Martinus Nijhoff, 1866, in de eerste maanden van 1866 verschenen.
image017

9. 1880/1[11] - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

Van de uitgave 1880/1 is vooralsnog geen exemplaar gevonden. Bom adverteerde in augustus en september in ‘Het Nieuws van de Dag’ en op 2 en 9 oktober 1881 is de advertentie in ‘de Amsterdammer’ te vinden. Is dit een 3e druk, of was het slechts het opnieuw onder de aandacht brengen van de 2e druk uit 1866? De titel van het boekje wijkt af van de eerdere uitgaven van Bom.

image025

Nieuws van de Dag 30.08.1881; 05.09.1881; 12.09.1881; 19.09.1881

[11] Sommige internetbronnen noemen 1880 als jaar van publicatie.
10. 1886 - Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

De laatst getraceerde uitgave verscheen in het 1886. Ook van deze uitgave ontbreekt tot nu toe elk spoor.

image027

 Nieuws van de Dag – Amsterdam: 09.11.1886; 10.11.1886; 11.11.1886; 12.11.1886

11. 188? - Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

In ‘De Problemist’ van juni-juli 1963, blz. 18-20 zijn de 61 standen uit deze uitgave afgedrukt. Op het titelblad staat zowel de naam van P.J. Verlooij als Diederichs vermeldt. De prijs is ‘VEERTIG cents’.
In Brinkmans Catalogus 1880-1892 (blz. 705) wordt in de bibliografie van de ‘Overgegane fondsartikelen’ (periode 1883-1892) als nieuwe uitgever van de handleiding uit 1851 genoemd: P.J. Verlooij te Rotterdam.
In ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’, volume 54 – S. de Visser 1887, wordt de overgang als volgt weergegeven:

Handleiding tot de kennis en oefening van het damspel. 2e druk. KI. 8o. 187 ex. Tweede druk. 12o. 902 ex. 1089 ex. voor /' 12.50. P. Verlooij.


Gezien de verschillende formaten mogen we concluderen dat Verlooij de overgebleven boekjes van Bom heeft overgenomen? Hoe valt dit te rijmen met de vermelding van Diederichs?
12. 18?? - Handleiding tot de oefening en kennis van het damspel. Met eene opgave van meer dan zestig positiën en uitkomsten.

Constant Stams de damrubriek van de ‘Wereldkroniek’ van 26 mei 1894:

… [Blijdenstein] …voor het damspel is hij naar onze meening Nederland’s grootste probleemdichter geweest. Hij heeft een boekje over het spel uitgegeven, echter zonder vermelding van zijn naam als auteur, met 60 à 70 damzetten, waarin tevens de regels van ons damspel aangegeven zijn; dit boekje is herhaaldelijk uitgegeven: bij G.Th. Bom, te Amsterdam, Hendriksen alhier, Verlooy alhier, en misschien bij andere uitgevers; wij meenen dat het op het oogenblik wederom uitverkocht is, maar door tusschenkomst van den boekhandel zullen er denkelijk nog wel exemplaren à ongeveer nlg 1,-- te verkrijgen zijn.

Ook van deze uitgave is, voor zover bekend, geen exemplaar overgeleverd.

Ik wil dit overzicht besluiten met de woorden van RC.B. Jansen uit ‘Schatplichtig aan Caïssa’:

Samengevat komt het er op neer dat het boekje van Blijdenstein door diverse uitgevers is aangekocht en uitgegeven, in diverse uitvoering en formaat. Van belang is dat het boekje in relatief grote oplage gedurende de 19e eeuw op de markt is geweest.

Teksten en standen uitgave 1836 (1840)

image019

   

Voorberigt[12]

Na het onschatbare werk, dat de Heer Van Embden over het damspel uitgegeven heeft, zoude het eene even vermetele als nuttelooze poging zijn, over hetzelfde onderwerp iets nieuws in het licht te geven, wanneer dat werk zich in handen van alle liefhebbers bevond; maar dit is geenszins het geval: het is integendeel reeds sedert vele

[blz.V]

[12] Bladzijden IV t.m. VIII
   
jaren uitverkocht, en niet dan bij bijzondere gelegenheden en tegen een hoogen prijs verkrijgbaar. Deze reden moge voor den schrijver van het volgende werkje tot verdedediging strekken, dat hij zich op een veld gewaagd heeft, waarop door een ander reeds de onbetwisbaarste roem is verworven. Menig liefhebber van het Damspel verlangt toch eene handleiding te bezitten, die hem in staat stelt, om zich volgens beproefde regels te oefenen, en wij gelooven daaraan, zoo veel onze vermogens strekte, voldaan te hebben. Wat de Positien en Uitkomsten betreft, dezelve zijn van zeer verschillenden aard, sommige met moeite gezocht en ingewikkeld, andere daarentegen weder zóó eenvoudig, dat zij dagelijks kunnen vorkomen, maar alle buiten twijfel in zóó verre leerzaam, dat men, door dezelve te bestuderen,

[blz.VI]

   
en zoo veel mogelijk in het hoofd te prenten, de kracht der schijven in derzelver verband leert kennen, en zich daardoor in staat stelt, om meer dan één gebruik te maken van eene gunstige gelegenheid, die men anders onopgemerkt zoude laten voorbijgaan. 
De zetten, of liever positien, in het uitgebreide werk van de Heer Van Emb-

[blz.VII]

   
den voorkomende, zijn, hoe kunstig en leerzaam ook, van minder toepassing voor degenen, welkere zijn stelling, van dam rustniet volgen, en dit wordt buiten Amsterdam, en daar zelfs niet algemeen, bijna nergens gedaan. Die, welke in de volgende bladen opgegeven worden, zijn berekend naar de meer algemeen aangenome wijze, die in het werkje zelf verklaard wordt. Het nommeren der ruiten op het bord is overeenkomstig de opgave van den Heer Van Embden, en bij de meeste liefhebbers van het Damspel bekend. Overigens heeft men getracht de nuttigheid van dit werkje te vermeerderen, door hetzelve, wegens geringen prijs en klein formaat, algemeen verkrijgbaar en gemakkelijk te maken.

[blz.VIII]

   

H E T D A M S P E L[13]
UITVINDING EN AARD 


De uitvinding van het dambord verliest zich in de grijze oudheid. Wij vinden er bij de Grieken en Romeinen reeds sporen van: ‘Zij vermaakten zich met het verplaatsen, volgens een vastgestelden regel, van stukken op een bord, dat met ruiten bezet was”. Bij de Chinezen, die nog veel

[blz.1]

[13] Bladzijden 1 t.m. 8 (bladzijde 4 foutief als 5 genummerd)
   
ouder zijn, en waarschijnlijk ook veel vroeger een betrekkelijken trap van beschaving bereikt hebben, treffen wij een dergelijk spel aan, maar wij weten te weinig van de geschiedenis hunner oude zeden en gewoonten, om te kunnen oordelen of hetzelve bij hen oorspronkelijk is. Onze voorvaders, de Batavieren, vermaakten zich alsmede op een dergelijk wijze, schoon het niet onwaarschijnlijk is, dat zij zulks van hunne bondgenooten, de Romeinen, geleerd hadden. Maar, wie zich ook op de eer der uitvinding moge beroemen, dit is, gelooven wij, zeker, dat de Hollanders het Damspel tot dien trap van wiskunstige volkomenheid hebben gebragt, waarop het zich thans bevindt. Ook treft men nergens meerder en geoefender liefhebbers van het Damspel aan, dan in ons vaderland.

Het bord, waarvan men zich, bij het Dam-

[blz.2]

   
spel bedient, is vierkant en verdeeld in 50 zwarte en 50 witte ruiten. De eerste worden alleen bespeeld. Het bord wordt zoodanig tusschen de beide spelers geplaatst, dat elk hunner de zwarte ruit op de onderste reeks aan de linkerzijde heeft.

Om een bepaalde regel te hebben op de positien of zetten, die kunnen plaatshebben of gevonden worden, heeft men aangenomen de zwarte of bespeelde ruiten te nommeren van 1 tot 50, te beginnen aan de eerste ruit ter linkerzijde op de onderste reeks van den speler, die geoordeeld wordt te winnen. Om verwarring voor te komen, neemt deze altijd de witte schijven. Het wordt ook dikwijls eene beleefdheid geacht als men, bij het opzetten der eerste partij, de zwarte schijven voor zichzelven neemt. Elk der spelers heeft twintig schijven,

[blz.3]

   
die aan beide zijden op de vier onderste reeksen geplaatst worden. Dezelve zijn van kleur onderscheiden.
Men speelt beurtelings en altoos één schijf voorwaarts, schuins van zwart op zwart, ter regter of ter linkerzijde, naar verkiezing. Nooit mag een schijf achterwaarts gespeeld worden.
Het slaan of wegnemen der schijven van partij geschiedt op de volgende wijze: Bij voorbeeld van 1 tot 12 als 12 onbedekt staat, en eene schijf van partij zich op 6 bevindt, of op gelijke wijze van 2 tot 11, van 3 op 12 op 14 enz., en even zoo achteruit, b.v. van 11 op 2, van 12 op 3 of 1, enz.
Dit slaan gaat voort, zoo lang er eene ruit open is vóór of achter de schijf, daar men vóór komt en die men neemt.

Bij voorbeeld: A (de witte) staat op 3 en

[blz.5]

blij ablij_b  
B (de zwarte) staat op 7,8,17,19,28 en 29. Nu slaat A van 3 op 12 van 12 op 23 van 23 op 34 van 34 op 25 van 25 op 14 en van daar weder op 3 terug.
Zoodra een der spelers met eene van zijne schijven op de achterste rij van zijne partij komt, haalt hij dam. Zulk een dam, die met een dubbele schijf onderscheiden wordt, heeft het regt om vóór en achterwaarts te loopen, over onbedekte rijen; zoodra eene schijf van partij alleen, dat is vóór of achter onbedekt, staat, neemt hij dezelve.

De heer Van Embden, die een algemeen bekend werk over het Damspel uitgegeven heeft, maakt ten opzigte van het damhalen eene uitzondering, bekend onder den naam van dam rust of rest. Te weten: als A staat op 36 en B op 42 en 43, dan moet A op 47, daar hij dam haalt, blijven, en mag niet terugslaan over 43, maar behoudt zijn dam tot de volgende zet.

[blz.5]

blij_c  
Deze wijze van spelen, hoe vele verdiensten zij ook moge hebben, is niet algemeen aangenomen. Men laat integendeel A van 47 over 43 op 38 doorslaan; en dan wordt hij geacht geen dam te hebben, schoon hij de laatste reeks, waarop dam gehaald wordt, overgeloopen is.

Het is overeenkomstig dezen regel, dat alle de volgende positien en zetten berekend zijn.
Mingeoefende spelers, die met list zoeken goed te maken, wat hun aan bekwaamheid ontbreekt, nemen dikwijls hunne toevlugt tot blazen; dat is: de schijf weg te nemen, waarmede partij hen had kunnen slaan, doch ’t welk hij verzuimd heeft te doen. Volgens oud-hollandsch spel heeft men het regt aan zijne zijde, want elk speler moet op zijn belang letten, en verdient straf, als hij de gelegenheid, om dat belang

[blz.6]

   
te behartigen, verzuimt. Dit komt vooral te pas, wanneer de partij geinteresseerd is, of men om geld speelt; en in dat geval mag men het doen, maar zulks gebeurt zelden: het Damspel is te wiskunstig verheven, om het tot een voorwerp van speculatie te maken; liefhebbers maken dus van geen blazen gebruik, maar zijn gewoon partij te waarschuwen, wanneer hij het slaan verzuimt.

Eindelijk behoort nog in acht genomen te worden, dat eene schijf of dam, wanneer zij slaan, de stukken nooit mogen opnemen, vóór dat de slag geheel geëindigd is. Mogten zij dit doen, dan zouden zij somtijds op een punt kunnen komen, dat te voren bezet was. Bij voorbeeld: A staat met zijn dam op 1 en B heeft zeven schijven op 12,22,28,29,37,39,42. Nu slaat A 12,22,37,39, 29 en 28, en blijft op 33 staan, zonder 42 te

[blz.7]

blij_d  
mogen nemen, want deze schijf was te voren gedekt.

Er zijn zelf spelers, die volhouden, dat een dam of schijf, bij het rond slaan, niet tweemaal op de zelfde ruit mag komen; maar dit is geen doorgaande regel.
Het is algemeen aangenomen, dat de meeste schijven of dammen moeten geslagen worden. Al vindt men dus meer voordeel met twee of drie stukken te slaan, daar men er drie of vier kan nemen, dan mag men zulks niet doen. Hieruit kan met grond afgeleid worden, dat men ook verpligt is een dam boven eene schijf te slaan, want een dam heeft meerdere waarde; maar er zijn kundige spelers, die beweren, dat hieromtrent geene verpligting bestaat.

[blz.8]

   
GEEST VAN HET DAMSPEL [14] Wij hebben gezegd, dat het Damspel eene wiskunstige oefening is, en dit blijkt al terstond, wanneer men nagaat, dat de krachten van beide zijden gelijk staan, en het nemen der stukken, die aangeboden worden, eene verpligting is, maar geenszins, gelijk bij het schaakspel, van willekeur afhangt.
Berekent men nu verder, dat elke der spelers twintig stukken heeft, die aanvankelijk op vier rijen verdeeld zijn, dan volgt hieruit al weder, dat men, om de kracht van zijn spel te handhaven, zijne stukken op gelijke rijen houden moet, zóó, dat op elk derzelve vijf, of in evenredigheid zoo veel minder als het getal door slaan afgenomen is, kunnen werken. Wil men een bewijs hebben, dat de kracht van het spel hierin bestaat, dan

[blz.9]

[14] Bladzijden 9 t.m. 17
   
plaatse men vijf witte schijven op 1,2,3,4, en 5 en een zwarte schijf onverschillig waar. Nu spreekt het van zelve dat de zwarte schijf niet slaan mag, maar trachten moet door te breken, en dit is haar onmogelijk, zoodra de witte hare positien bewaren. Stel, bij voorbeeld, B op 14 (diagram E). Nu speelt A 1 op 6, B 14 op 8, A 2 op 7, B 8 op 14, A 3 op 8, B 14 op 9, heeft nu A de onvoorzigtigheid van 5 op 10 te spelen, dan is B er door, maar hij brengt 6 op 12; nu kan B niet beter doen dan 9 op 14 spelen, A schuift 5 op 9 en waarheen B zich ook plaatsen mag, krijgt A zijne rij weder gedekt. Dit loopt op dezelfde wijze van rij tot rij door, tot dat B op de laatste rij vastzit.
Zijn er nu minder schijven op het bord, dan behoeft men ook minder rijen te bezetten, maar alsdan begint het van dubbel be-

[blz.10]

blij_e

E

 
lang te worden, en hierop moet men het terstond toeleggen, de schijven goed te verdeelen, en de meeste kracht op het midden van het bord te houden. De schijf 3, die wel eens schertsende de broeksknoop genoemd wordt, behoudt men zoo lang mogelijk, als de basis van zijne kracht. De positie 3,7,8,12,13,14,17,18,23 met twee of drie schijven tot dekking der beide zijden, levert het sterkste verband op. Zoodra men bemerkt, dat partij het grootste gedeelte zijner magt aan de eene zijde van het bord bijeen brengt, stelt men daartegen niets over, dan hetgeen volstrekt vereischt wordt, om hem het damnemen te beletten. Maar ontwikkelt zich aan de tegenovergestelde zijde, ten einde, des noods met opoffering van eene schijf, dam te kunnen halen.    
Het is altoos een regel, zijn spel naar dat van zijne partij op te brengen. Men moet nooit op zetten spelen, want mislukken deze, en dit heeft, wanneer men met eene geoefende partij te doen heeft, bijna altijd plaats- dan verzwakt men zijn spel; het is integendeel van belang voornamelijk op het spel van partij te letten, en daarnaar het zijne te regelen. Het is hiermede gelegen als met de muzijk: men moet de oogen niet vestigen op het speeltuig dat men in de hand, maar op de noten, die men voor zich heeft. Verdediging komt meer dan aanval te pas. Loopt het spel echter op het laatst, dan komt de kracht van elke schijf bijzonder te pas; en kan men dezelve in verband met de overigen goed berekenen, dan behoudt men dikwijls met een schijnbaar zwak spel de overhand. Een paar voorbeelden zullen dit genoeg bewijzen. (diagram F) A heeft vier schijven op 2,3,7 en 11

[blz.12]

blij_fF  
en B een schijf op 21 en een dam op 17. Nu moet A spelen. Hij brengt 7 op 12. Slaat B nu met zijn dam op 6, dan geeft A 11 af en wint zijn spel; maar B slaat op 1. Nu schijnt de positie van A nog gevaarlijker; doch hij speelt 11 op 16. B moet van 21 op 12 slaan; nu speelt A 2 op 6. B kan niet anders dan 12 op 7 schuiven. A slaat 3 op 12 en houdt partij ingesloten. De volgende positie is nog veel opmerkelijker, en levert een onwedersprekelijk bewijs op van de kracht, die in het verband der schijven gelegen is. (diagram G) A heeft slechts vijf schijven op 4,9,12,15 en 38. B heeft daartegen de sterke magt van negen schijven op 11,23,24,31,36,41,42,46,47 en twee dammen op 26 en 32. Nu speelt A 4 op 8. B moet met zijn dam van 26 naar 4 slaan. A speelt 12 op 16. B slaat 11 op 22. A speelt 15

[blz.13]

blij_g

G

 
op 19. B moet met zijn dam twee schijven slaan van 4 op 43. Nu slaat A van 9 drie schijven en twee dammen tot op 48, haalt zelf dam, en houdt partij ingesloten. Wil men nog een bewijs hebben, hoe schijven, die schijnbaar zonder eenig verband staan, nuttig aangewend kunnen worden, (diagram H) dan plaatse men A met elf schijven op 2,3,4,5,10,11,20,21,30,31 en 40 en geve daartegen aan B eene schijf op 43 en vier dammen op 37,38,44 en 47. Oppervlakkig beschouwd, is dit spel voor de witten hoogstens remise te maken; maar zij spelen 11 op 16. B slaat van 38 op 11. A speelt 21 op 26. B slaat 37 op 21. A speelt 31 op 36. B slaat 47 op 31. A speelt 4 op 3[15]. B slaat 31 op 4. A speelt 3 op 7. B slaat 21 op 3. A speelt 2 op 6. B slaat 11 op 2. A speelt 5 op 9. B slaat 4 op 15. A slaat 10 op 19. B slaat 3 op 25. A slaat

[blz.14]

[15] Zetfout, moet zijn 8

blij_h

H

 
20 op 29. B slaat 2 op 35. A slaat van 30 twee dammen en eene schijf op 37 en wint. Niemand werpe mij tegen, dat dergelijke positien of zetten op het bord niet kunnen voorkomen, en bijgevolg in de toepassing van geen nut zijn. Men zoude zich zeer vergissen. Ik heb reeds gezegd, dat men altoos zijn spel op de positie en nooit met het doel om zetten te vinden, moet opbrengen, maar het is aan de andere zijde ontegenzeggelijk waar, dat er, vooral tegen het einde van het spel, bijna geene positie voorkomt, waaruit een geoefend speler geen nut en voordeel weet te trekken. Het nu aangewezene en de zetten, die wij nog zullen laten volgen, zijn niets anders dan combinatien en toepassingen van den eenvoudigen regel op het dammen. De gelegenheid om een goede slag te doen, biedt zich genoeg aan, maar het hapert aan ons, dat wij er geen

[blz.15]

   
gebruik van weten te maken. Eén enkel voorbeeld zal dit ook voor mingeoefenden duidelijk maken. Stel bij voorbeeld dat B met het eerste uitspelen gegaan is van (diagram I) 34 op 28. Nu loopt A, gelijk zijn spel ook medebrengt, van 18 op 23. B heeft de onvoorzigtigheid van 39 op 34 door te schuiven. A speelt 23 op 27. B slaat, om het spel nog wat te rekken, van 33 op 22. A slaat van 16 op 27. Nu is B genoodzaakt van 32 op 23 te slaan. A geeft 19 af op 24. B slaat van 28 op 19. A slaat van 17 drie schijven tot 30 en vervolgens nog de zwarte schijf 19. Hij is dus drie schijven voor, en moet, als hij oppast, de partij winnen. Deze positie, noemt men, omdat zij algemeen bekend en weinig ingewikkeld is, le coup de mazette, maar wat zijn de zwaarste combinatien anders voor iemand, die in staat is dezelve door te zien?

[blz.16]

blij_i

I

 
Wij meenen genoeg gezegd te hebben, om degenen, die zich waarlijk willen oefenen, met den geest van het Damspel bekend te maken. Stellige regels, hoe men een spel moet brengen, zijn hier niet te geven, want misschien zijn er nog nooit twee spellen geheel op dezelfde wijze ten einde gebragt. Dit alleen willen wij hier nog bijvoegen, dat wanneer de liefhebbers uit de volgende zetten nut willen trekken, ten einde naderhand de positien op hun spel toe te passen, zij de uitkomsten zelven moeten zoeken, en zich niet te vrede stellen met deze in dit werkje na te zien, want daarmede zoude noch hun geheugen noch hun oordeel geoefend worden; en beide zijn in het Damspel onontbeerlijke vereischten.

[blz.17]

   
POSITIEN EN UITKOMSTEN Wanneer de ware liefhebber van het Damspel, vooral indien hij zichzelven eenigszins geoefend heeft, deszelfs geest en de aanwijzingen, die wij daarover gegeven hebben, begrijpt, dan zal hij niet langer in het dwaze begrip verkeeren, dat geene voorbedachtelijke opgezette positien in het spel kunnen voorkomen, maar duidelijk beseffen, dat er op het dambord geene positie denkbaar is, die geene plaats zoude kunnen hebben, en waarvan een bekwaam speler geen gebruik zoude kunnen maken. Wij hebben dit reeds aangewezen, en zullen er nieuwe bewijzen van geven; en om het den minder geoefenden speler gemakkelijk te maken, en hem van lieverlede te gewennen aan het toepassen der voorbeelden, beginnen wij met

[blz.18]

   
de eenvoudigste zetten, die, bijgevolg ook voor den eersten leerling tot nut kunnen strekken.

________

(1) A heeft twee dammen op 17 en 28. B heeft een’ dam op 41. Dit spel is onder goede spelers zeker remise, want B moet weten, dat hij in den strik, die hem gespannen wordt, niet loopen mag. Het lokaas verleidt hem toch, en hij loopt van 41 op 23. Nu heeft A niets anders te doen, dan eener zijner schijven eene of twee ruiten terug te trekken. B die den anderen dam moet slaan, moet in den hoek loopen; nu haalt A zijn’ overgebleven dam in den anderen hoek terug, en wint zijn spel.

[blz.19]

blij11 Diagram 1
1. 23-19 28x46 2. 19-05 Baledént no. II BLZ. II

__ __

(2) Wil men de zelfde uitkomst meer ingewikkeld, en toch voor leerlingen vatbaar? Plaats dan A met twee schijven op 4 en 8 en drie dammen op 3, 17 en 34 en B met zes schijven op 31,36,41,42,46,47 en een’ dam op 32. Het is blijkbaar en de uitkomst zal het ook leeren, dat al de schijven, die A heeft, louter tot tapisserie dienen, zonder iets te kunnen doen. Wij hebben dit reeds vroeger aangetoond, en het zal op nieuw blijken, dat het verband der schijven onder elkander de eenige kracht van het spel uitmaakt. A, die als naar gewoonte, de witte heeft en winner moet zijn, speelt 4 op 9. B moet van 32 op 5 slaan. A geeft 8 op 14. B slaat eene schijf en een’ dam op 1 op 50. In beide gevallen is hij het spel kwijt; want A trekt zijn’ anderen dam terug, en speelt vervolgens van 3 op 21, waarmede hij de schijven van B ingesloten houdt.

[blz.20]

blij22 Diagram 2
1. 48-26 17x50 2. 43-39 50x05 3. 32-46 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 6526
(3) Nemen wij nog een paar andere positien, die tot voorbeeld strekken, hoe vele gelegenheden, daar men gebruik van kan maken, zich in het damspel aanbieden. Plaatst A met 5 schijven op 4,10,22,27 en 34 en B met vier schijven op 15,39,43 en 45 en geef men een’ dam op 19. Als het spel zich zoo voordeed, zoude men dan niet zeggen, dat de witte verloren waren?— Wat zullen zij doen? Zij zijn eene schijf kwijt en kunnen zelfs niet naar dam loopen. Ja, zoo schijnt het, maar de geoefende speler, die zich niet door den schijn laat verblinden, speelt 27 op 32. Nu moet B van 39 op 28 slaan. A speelt 4 op 9. B slaat van 15 op 4 en haalt nog een’ dam. Nu schijnt het inderdaad voor de witten wel geheel verloren, en het moet waarlijk een bekwaam speler zijn, die er eenige uitkomst op ziet; maar juist die bekwame speler, en

[blz.21]

blij33 Diagram 3
1. 22-17 14x23 2. 49-44 40x49 3. 45-40 49x12 4. 40x07 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4681
waarom zouden wij het met genoegzame oefening niet allen worden, verheft zich boven het noodlot, dat hem schijnbaar tegen is. Hij speelt van 10 op 15. A is genoodzaakt met zijn’ dam van 4 twee schijven tot 37 te slaan. Nu slaat A, op zijne beurt twee dammen en eene schijf tot 42 en wint de partij.

__ __

(4) Stel nu A op 8,12,14,22 en 27 en B op 25,32,34,36,38 en 45. Wat kon B, oppervlakkig nu beter gedaan hebben dan van 37 op 32 te loopen? Hij won daarmede toch zeker eene schijf. Maar A, die zijn spel beter verstaat, speelt van 14 op 19. B, die zich reeds een groot man acht, slaat van 25 twee schijven tot 3. Nu speelt A van 22 op 26; B, die te laat berouw gevoelt, slaat met zijn’ dam twee schijven van 3 tot 33. Maar

[blz.22]

blij44 Diagram 4
1. 39-34 30x48 2. 27-21 48x18 3. 21x05 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4663
nu komt de beurt aan A. Hij slaat van 26 drie schijven en een’ dam tot 50, haalt zelf dam en wint de partij.

__ __

(5) Nog zoo vele, en inderdaad nog veel zonderlinger positien bieden zich op het dambord aan, als men er slechts gebruik van weet te maken. Stel, bij voorbeeld A met 4 schijven op 10,12,16 en 33 en geeft aan B slechts drie schijven op 21,25 en 50. Wanneer nu A een gewoon speler was, zoude hij 10 op 15 plaatsen, en zeker op den langen weg ook meester blijven; maar hij is reeds meester, en maakt het dus aardiger af. Hij speelt van 33 op 37. Nu is B wel genoodzaakt van 25 op 19 te loopen, want dit biedt de eenige kans om nog zonder verlies dam te halen. A gaat nu van

[blz.23]

blij55 Diagram 5
1. 18-12 30-34 2. 12-07 34-39 3. 07-02 39-43 4. 02-16 43-48 5. 16-21 26x17 6. 31-26 48x31 7. 26x37 05-10 8. 45-40 10-14 9. 40-34 17-22 10. 37-32 14-19 11. 34-29 B.O.: 1. 45-40 Anonieme stand. Met 5 op 25 wordt bijoplossing geëlimineerd. Baledént no. App. BLZ. 25
37 op 42, of naar verkiezing op 43. B, die nu zijne kans schoon meent te zien, loopt van 19 op 14. A haalt dam op 47. B is alweder gedrongen op 8 te loopen, want komt hij op 9, dan geeft A zijne schijf 10 af en houdt hem opgesloten. Hij doet dus wat hij kan, maar nu plaatst A zijn’ dam op 31. B is op zijne beurt verpligt dam te nemen. Loopt hij op 4 dan geeft A zijne schijf 16 af, en wint terstond, maar B loopt op 3, en heeft ook zijne laatste poging aangewend; want A geeft zijn dam’ af op 26. B moet nu op 32 slaan; schuift van 16 op 21. B slaat op 16, verliest zijn’ dam, en de beide schijven die hij overhoudt, zijn door A vastgezet, wanneer deze slechts zorgt dat hij tegenover hem blijft.

[blz.24]

   

__ __

(6) Nog twee dergelijke positien zullen wij aanwijzen, en dan de overigen zonder verdere verklaring aan het oordeel der liefhebbers overlaten. A heeft vier schijven 7,13,14 en 30 en een’ dam op 3. B heeft ook vier schijven op 15,22,27 en 42 en twee dammen op 21 en 23. Waarlijk, als men deze positie zag, zoude een geoefend speler er geene zwarigheid in vinden, om er zich uit te redden; maar men moet geoefend zijn, om zulks te kunnen doen, want anders liep het altoos remise. De zet, of liever de positie, is toch eenvoudig. A plaatst zich van 14 op 19. B moet slaan van 15 op 24. Nu brengt A zijn’ dam van 3 op 19. B is weder genoodzaakt een’ dam en eene schijf tot 25 te slaan; maar nu slaat A van 30 vier stukken en wint de partij.

[blz.25]


blij66
Diagram 6
1. 39-34 40x29 2. 48-34 26x30 3. 25x21 07-12 4. 21-16 12-17 5. 38-32 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5619

__ __

(7) Laat A nu zeven schijven hebben, op 4,9,13,15,29,33 en 34 en B zes schijven op 22,23,32,44,47 en 49 en een’ dam op 8. Zoude men nu oppervlakkig niet zeggen, dat de zwarten het moesten winnen? Zulks schijnt inderdaad zoo, ten minste van een remise-spel meenen zij zich wel te mogen verzekeren. Doch A speelt 34 op 39. B moet twee schijven slaan van 44 tot 24. Nu speelt A van 33 op 38. B slaat met zijn’ dam van 8 tot op 17. A brengt 4 op 8. B slaat met zijn’ dam op 4. A speelt 15 op 19. B is nu genoodzaakt met zijn’ dam twee schijven te slaan, tot op 43; en nu slaat A op zijne beurt van 19 vier schijven en een’ dam tot op 48, en heeft de partij gewonnen.

[blz.26]

blij77 Diagram 7
1. 19-14 09x29 2. 18-13 43x32 3. 49-43 32x49 4. 40-34 49x08 5. 34x03 A. May van Vollenhoven / Balédent no. 2109

__ __

(8) A heeft zeven schijven, op 4,8,14,16,26,31 en 33 en B acht schijven op 24,29,36,37,39,41,42 en 46. A loopt van 8 op 13. B slaat van 37 op 28. A speelt 26 op 32. B slaat 36 op 27. A speelt 14 op 19. B slaat 24 op 15. A brengt 4 op 9, B slaat 24 op 15. A brengt 4 op 9. B slaat 15 op 4 en haalt dam. A speelt 16 op 22. B is gedwongen met zijn’ dam twee te slaan tot 26. Doch nu slaat A van 31 een’ dam en 4 schijven tot 44, neemt daarna dam op 49 en houdt de drie zwarte schijven, die nog overgebleven zijn, ingesloten.
__ __
(9) A heeft acht schiiven op 7,14,23,28,30,32,35 en 37.

[blz.27]

blij8
8
blij9
9
Diagram 8
1. 43-38 12x23 2. 39-34 29x40 3. 21-17 11x22 4. 49-44 40x49 5. 31-27 49x21 6. 16x09 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4640

Diagram 9
1. 17-11 03x18 2. 28-22 16x07 3. 22x04 15x24 4. 04x15 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4783
B heeft zes schijven op 6,31,40,44,46 en 47 en twee dammen op 22 en 48. A speelt 32 op 36. B slaat met zijn’ dam vier stukken van 48 tot 33. A brengt 23 op 27. B slaat naar willekeur 40 op 29 of 31 op 42. A slaat nu twee stukken, van 27 tot 49 en haalt dam. B moet weder slaan, doch nu slaat A van 49 een’ dam en twee schijven, en wint zijn spel.

__ __

(10) A heeft zeven schijven op 11,12,22,24,26,28 en 34. B heeft mede zeven schijven op 31,32,35,37,44,45 en 50. A brengt 34 op 38. B heeft keus om te slaan, maar doet hij zulks met 32 dan is het spel voor hem op de positie verloren. Hij slaat dus van 44 op 33. Nu speelt A 22

[blz.28]

blij1010 Diagram 10
1. 19-13 09x18 2. 27-22 17x19 3. 37-31 16x27 4. 31x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4647
op 27. B is genoodzaakt met 32 twee te slaan tot 34. A brengt 12 op 16. B slaat 31 op 22, en nu slaat A van 16 vijf schijven en haalt op 49 dam.

__ __

(11) A heeft acht schijven op 2,4,8,16,18,23,27 en 30. B heeft zeven schijven op 22,29,31,36,43,44 en 47 en een’ dam op 32. A brengt 27 op 33. B slaat van 22 op 11. A speelt 33 op 38. B slaat van 43 op 34 of van 44 op 33. A speelt in beide gevallen 2 op 6. Nu slaat B met 11 en haalt dam op 2. A brengt 8 op 14. B moet met zijn, dam van 2 op 24 slaan. A speelt 14 op 19. B slaat van 32 tot 25. A slaat nu vier stukken, haalt dam op 48 en wint de partij.

[blz.29]

blij1111 Diagram 11
1. 22-18 27x36 2. 18-13 08x19 3. 47-41 36x47 4. 43-39 47x29 5. 39-34 17x30 6. 25x03 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4776

__ __

(12) A heeft zes schijven op 23,27,32,33,36 en 41. B heeft vier schijven op 16,34,46 en 37 en zes dammen op 7,8,9,19,29 en 39. A speelt 33 op 38. B slaat 34 op 43. A speelt 36 op 42. B slaat twee schijven van 46 tot 26. A speelt van 27 op 32. B is genoodzaakt met zijn dam twee schijven van 9 tot 36 te slaan; maar nu komt de beurt aan A en hij slaat zes dammen en twee schijven tot 45, waarna hij dam haalt en het spel wint.

__ __

(13) A speelt met zes schijven op 4,13,23,24,26 en 28. B heeft vijf schijven, namelijk 15,31,43,45 en 48 en een’ dam op 12.

[blz.30]

blij12
12
blij13
13 
Diagram 12
1. 18-13 19x08 2. 11-07 01x21 3. 22-17 44x11 4. 06x10 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 3752

Diagram 13
1. 29-24 16x27 2. 49-44 40x49 3. 24-19 49x32 4. 19-13 08x19 5. 23x05 32x23 6. 05x46 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4658
A speelt 24 op 29. B moet van 31 op 22 slaan. Nu speelt A 4 op 9. B slaat van 15 op 4 en haalt nog een’ dam. A brengt 29 op 34. B slaat van 4 op 17. A brengt 34 op 38. B moet van 43 op 34 slaan. Nu slaat A twee schijven van 28 tot 50 en haalt op zijne beurt dam. B is genoodzaakt 23 te slaan, en waar hij zich ook moge plaatsen, verliest hij zijne beide dammen en tevens het spel.

__ __

(14) A heeft negen schijven op 8,13,15,17,18,25,26,29 en 35. B heeft ook negen schijven op 24,31,33,37, 38,40,42,44 en 45. A speelt 26 op 32. B slaat 37 op 26. A speelt 17 op 22. B slaat 26 op 17. A slaat 13 op 22. B slaat met 24 twee schij-

[blz.31]

blij1414 Diagram 14
1. 21-17 12x21 2. 32-27 21x32 3. 38x27 29x49 4. 30-25 49x19 5. 20-14 09x20 6. 25x01 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4600
ven op 4, en haalt dam. A speelt 25 op 30. B slaat met zijn dam, van 4 twee schijven op 34. A speelt 35 op 39. B slaat 44 op 35. A slaat van 30 een’ dam en drie schijven tot 46, waar hij op zijne beurt dam neemt; en nu is de partij voor hem uit, want met behulp van zijne schijf 21, kan B niet tot dam komen, of hij is dezelve terstond kwijt en zijne laatste schijf wordt vastgezet.

__ __

(15) A heeft elf schijven op 5,7,8,9,10,11,14,23,28,33 en 38. B heeft twaalf schijven op 19,20,21,22,25,32,35, 44,45,47,48 en 49. A speelt 11 op 16. B slaat van 21 twee schijven tot 3 en haalt dam. A speelt 14 op 18. B slaat van 3 op 14. A speelt 10 op

[blz.32]

blij1515 Diagram 15
1. 36-31 26x48 2. 39-33 48x39 3. 45-40 34x45 4. 18-12 09x38 5. 12x05 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 1719
15. B slaat 19 op 10. A speelt 33 op 37. B slaat van 44 drie schijven tot 13. Nu maakt A van 37 een zevenslag tot 50, en het spel is voor hem gewonnen.

__ __

(16) A heeft acht schijven op 7,12,15,16,20,25,26 en 30. B heeft mede acht schijven op 23,32,34,35,37,39,43 en 45. A neemt de positie waar om zich van de winst van het spel te verzekeren en speelt 25 op 29. Nu heeft B keus, maar met 32 kan hij niet slaan, want dan is het zeker uit; met 34 nog minder, want dan slaat A dam tot 49; hij moet dus met 35 op 24 slaan. Nu speelt A 12 op 17. B is genoodzaakt drie te slaan van 32 op 3 en dam. A slaat op zijne beurt van 17 op 19. B slaat

[blz.33]

blij1616 Diagram 16
1. 30-24 20x29 2. 37-32 17x48 3. 32x34 48x30 4. 35x02 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4617
van 3 op 25. A 20 op 47 met dam, en als hij geene fouten begaat is het spel zeker voor hem gewonnen.

__ __

(17) A heeft acht schijven op 9,17,23,26,28,34,35 en 40. B heeft zes schijven op 16,19,37,38,43 en 50, en drie dammen op 1,6 en 10. A speelt 35 op 39. B slaat 38 op 29. A speelt 9 op 14. B slaat 19 op 8. A speelt 40 op 45. B slaat met zijn’ dam van 10 op 33. A speelt 26 op 32. B slaat 37 op 26. A speelt 23 op 28. B is genoodzaakt met zijn’ dam 6 twee te nemen tot 34. A slaat van 39 drie stukken tot 48, waar hij dam neemt. B slaat 50 op 39. A slaat nu van 48 vijf schijven, te weten 26,16,8,29 en 39; plaatst zich op 50, en B is het kwijt.

[blz.34]

blij1717 Diagram 17
1. 20-14 13x24 2. 44-39 34x43 3. 15-10 45x18 4. 21-17 12x21 5. 28-23 41x19 6. 14x03 05x14 7. 03x05 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5263

__ __

(18) A heeft zeven schijven op 9,11,16,23,24,25 en 26. B heeft zes schijven op 33,34,37,41,44 en 48, en eene dam op 38. A speelt 26 op 32. B slaat met 37 op 26. Nu speelt A 23 op 28. B slaat met 34 op 23. A speelt 24 op 28. B slaat met zijn’ dam twee schijven op 4. A slaat van 28 op 17. B slaat met zijn’ dam op 22. A slaat met 16 drie op 49 en haalt dam, en het spel is voor hem uit.

__ __

(19) A heeft zes schijven op 5,7,8,17,26 en 40. B heeft zes schijven op 14,19,29,35,37 en 39.

[blz.35]

blij18
18
blij19
19 
Diagram 18
1. 21-17 12x21 2. 28-23 19x28 3. 29-23 13x49 4. 23x32 49x27 5. 31x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4738

Diagram 19
1. 42-37 39x48 2. 15-10 48x17 3. 10x39 17x44 4. 50x39 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4656
A speelt 7 op 12. B slaat van 14 op 3 en heeft dam. A speelt 40 op 45. B moet met zijn’ dam twee slaan op 32. A slaat van 45 drie schijven tot 14. B slaat van 32 tot 9. A slaat 5 op 14 en houdt de beide schijven van B ingesloten.

__ __

(20) A heeft vijf schijven op 2,3,12,24 en 36. B heeft ook vijf schijven op 22,34,41,[4]3[16] en 47. A speelt 24 op 28. Nu heeft B keus van slaan, maar zijn beste kans is 34 op 23. A speelt 12 op 17. B heeft weder keus tusschen 22op 13 of 23 op 12; want dat hij met 41 niet slaan mag, spreekt van zelf. A brengt nu 2 of 3 op 7. B moet weder slaan. Nu maakt A een drieslag, neemt vervolgens dam en wint het spel.

[blz.36]

[16] 3 = zetfout, moet zijn 43
blij2020 Diagram 20
1. 29-23 19x28 2. 37-32 27x38 3. 48-42 06x17 4. 42x11 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 1689

__ __

(21) A heeft acht schijven op 8,13,16,18,22,23,24 en 27. B heeft mede acht schijven op 25,29,32,33,35,36,38 en 44. A speelt 24 op 28. B slaat met 33 op 24. A speelt 23 op 28. B moet met 32 drie schijven slaan en dam halen op 3. A slaat met 28 vier schijven en haalt dam op 48. B slaat met zijn dam van 3 op 21. A speelt 22 op 26. B moet met zijn dam slaan en is dezelve kwijt. Dit spel is zeker voor A gewonnen, doch hij moet goed opletten, want zijn 13 kan 29 van B niet tegenhouden; hij slaat dus met zijn dam op 26. Nu is er geen kans meer voor B dan met 38 op 33 te spelen. A gaat met zijn’ dam op 31. B moet van 36 op 32 gaan. A loopt met zijn’ dam op 47 en het spel is voor hem uit.

[blz.37]

blij21
21
Diagram 21
1. 29-23 18x29 2. 28-23 17x48 3. 23x03 48x26 4. 27-21 26x17 5. 03x21 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4409

__ __

(22) A heeft zes schijven op 3,7,9,13,22 en 33. B heeft vijf schijven op 19,37,39,42 en 44, en een dam op 48. A speelt 22 op 26. B slaat van 37 op 28. A speelt 9 op 14. B slaat van 19 twee schijven tot 17. A speelt 7 op 12. B slaat met zijn’ dam van 48 op 7. A slaat van 3 een’ dam en drie schijven tot 45, en de partij is uit, want schoon B met 44 af te geven nog uitstel heeft, kan hij echter niet tot dam geraken.

__ __

(23) A heeft negen schijven op 3,5,9,13,18,20,23,34 en 38. B heeft acht schijven op 26,27,30,

[blz.38]

blij22
22
blij2323 
Diagram 22
1. 27-21 12x23 2. 44-39 34x32 3. 42-37 03x42 4. 48x10 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4696

Diagram 23
1. 35-30 25x34 2. 13-09 02x23 3. 33-29 04x13 4. 29x09 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4824
32,36,37,46 en 49, en een’ dam op 47. A speelt 20 op 25. B slaat 30 op 19. A speelt 38 op 44. B moet met zijn’ dam van 47 vier schijven slaan tot 28, waar hij stuit. A speelt 18 op 24. B slaat 49 op 38. A slaat van 24 een’ dam en vijf schijven tot 44, en wint de partij, wanneer hij goed oplet.

__ __

(24) A heeft twaalf schijven op 1,3,4,8,9,11,14,16,19,20,21 en 24. B heeft ook twaalf schijven op 17,23,27,29,30,31,33,35,36,42,45 en 46, en een’ dam op 5. A speelt 21 op 26. B slaat naar verkiezing 31 op 22 of 29 op 18. A speelt 1 op 6. B slaat nog eens. A speelt 6 op 12. B slaat 17 op 6. A slaat 11op 2. B slaat 22

[blz.39]

blij24
24
Diagram 24
1. 46-41 24x33 2. 26-21 16x27 3. 41-37 32x41 4. 36x47 27x36 5. 47-41 36x47 6. 48-42 47x38 7. 43x12 07x18 8. 39x06 50x30 9. 35x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5005
op 11. A speelt 2 op 6. B slaat 11 op 2. A speelt 3 op 7. B slaat 2 op 13. A slaat van 8, een’ dam en twee schijven tot 37. B slaat 42 op 33. A slaat van 14 drie schijven tot 41. B slaat van 5 twee schijven tot 25. Nu slaat A van 20 een’ dam en twee schijven tot 49, waar hij dam neemt en wint.

__ __

(25) A heeft zeven schijven op 2,7,15,17,24,28 en 29. B heetf mede zeven schijven op 11,16,23,31,37,38 en 39 en een’ dam op 40. A speelt 17 op 22. B slaat van 23 twee schijven op 25. A speelt 7 op 12. B slaat met zijn dam van 40 twee schijven tot 26. A slaat een’ dam en vier schijven tot 45 en wint de partij.

[blz.40]

blij25
25
Diagram 25
1. 32-27 28x30 2. 42-37 15x21 3. 37x10 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4726

__ __

(26) A heeft zes schijven op 3,6,17,20,24 en 36. B heeft ook zes schijven op 14,34,35,41,45 en 47, en een dam op 39. A speelt 20 op 25. B slaat van 41 op 32. A speelt 25 op 29. B slaat 34 op 25. A speelt 3 op 8. B slaat met zijn’ dam twee schijven op 1. A slaat van 8 vier schijven op 50 en wint het spel.

__ __

(27) A heeft acht schijven op 3,7,10,11,16,18,23 en 35. B heeft zeven schijven op 22,27,32,34,41,43 en 50; en twee dammen op 20 en 28. A speelt 10 op 15. B slaat met zijn dam twee schijven op 21. A speelt 35 op 39. B moet met zijn’ dam van 20 twee slaan

[blz.41]

blij26
26
blij27
27 
Diagram 26
1. 35-30 06x17 2. 30-24 19x30 3. 48-43 14x46 4. 43x05 E. van Emden, met eerste publicatie in de uitgave van 1826 onder no. 14 Baledént no. 1916

Diagram 27
1. 45-40 23x26 2. 20-14 35x28 3. 14x03 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5121
tot 23. A slaat nu van 39 vier schijven en een’ dam, haalt zelf zijn dam op 48, en het spel is voor hem gewonnen.

__ __

(28) A heeft twaalf schijven op 2,3,5,12,15,16,17,20,21,22,23 en 27. B heeft mede twaalf schijven op 24,25,29,30,31,34,36,37,38,39,43 en 47; en twee dammen op 32 en 41. A speelt 21 op 26. B slaat met zijn dam op 21. A speelt 27 op 32. B slaat van 36 twee schijven tot 18. A speelt 22 op 27. B slaat met zijn’ dam van 41 op 23. A slaat van 17 twee stukken tot 19. B slaat van 25 op 14. A speelt 16 op 22. B slaat op 7. A slaat van 2 een dam en vijf schijven tot 42. B slaat van 47 tot 36. A speelt 15 op 19.

[blz.42]

blij28
28
Diagram 28
1. 26-21 17x26 2. 22-17 11x33 3. 27-22 06x28 4. 32x34 30x39 5. 31-27 26x42 6. 47x07 02x11 7. 40-34 39x30 8. 35x02 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 2779
B slaat 14 op 25. A slaat van 20 drie schijven en neemt dam op 47 en wint de partij.

__ __

(29) A heeft elf schijven op 2,5,6,7,14,17,22,23,41,34 en 39, en een’ dam op 3. B heeft negen schijven op 11,15,20,24,26,30,42,43 en 48, en twee dammen op 4 en 50. A speelt 23 op 28. B slaat 24 op 33. A speelt 14 op 19. B slaat 15 op 24. A speelt 39 op 44. B slaat met zijn dam van 50 drie schijven op 1. A speelt 5 op 10. B slaat naar willekeur 48 op 39, of 26 op 17. A speelt zijn dam van 3 op 14. B slaat nog eens. A speelt 7 op 12. B slaat 17 op 6. A speelt zijn dam van 14 op 9. B slaat van 4 op 15. A slaat van 10 een dam en drie

[blz.43]

blij29
29
Diagram 29
1. 28-23 29x18 2. 39-34 40x29 3. 14-09 05x46 4. 50-45 03x14 5. 48-39 21x32 6. 42-37 32x41 7. 39-44 49x40 8. 45x01 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 3998
schijven op 46, heeft dam en wint de partij met drie stukken tegen zeven.

__ __

(30) A heeft negen schijven op 5,9,12,13,14,15,22,23 en 26. B heeft tien schijven op 20,29,30,32,33,34,37, 38,39 en 43. A speelt 14 op 18. B slaat van 32 op 21. A speelt 9 op 14. B slaat 20 op 9. A speelt 12 op 16. B slaat met 21 op 12. A speelt 22 op 27. B slaat 33 op 22. A speelt 23 op 28. B slaat van 34 op 23. A slaat met 18 drie schijven tot 7. B slaat van 9 op 18. A slaat van 13 vijf schijvn tot 42, en het spel is uit.

[blz.44]

blij30
30
Diagram 30
1. 39-33 17x26 2. 44-39 35x44 3. 37-31 26x37 4. 27-22 18x27 5. 28-23 19x28 6. 33x42 44x33 7. 38x07 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4599

__ __

(31) A heeft zes schijven op 9,12,13,22,32 en 39. B heeft mede zes schijven op 19,33,40,43,44 en 48, en een’ dam op 42. A speelt 32 op 37. B kan, wegens zijne positie niet anders slaan dan 43 op 32. A speelt 22 op 27. B is weder gedwongen met 32 of 33 op 22 if 23 te slaan. B[17] brengt nu 13 of 12 op 17. B slaat 44 op 35. A slaat van 17 twee schijven en een’ dam op 46, en wint het spel.

__ __

(32) A heeft zeven schijven op 3,15,16,19,24,28 en 29. B heeft acht schijven op 21,30,32,35,40,42,45 en 48. A speelt 29 op 34. B slaat met 21 op 12. A speelt 24 op 29. B slaat van 35 twee

[blz.45]

[17] Zetfout. Moet zijn: A

 

blij31
31
blij32
32 
Diagram 31
1. 17-12 08x17 2. 27-22 17x28 3. 38-32 09x20 4. 32x01 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4695

Diagram 32
1. 24-19 26x37 2. 29-24 20x18 3. 19-14 10x19 4. 48-42 37x48 5. 40-35 48x30 6. 35x02 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4642
schijven tot 33. A speelt 34 op 39. B slaat 45 op 34. A speelt 3 op 7. B slaat met 12 op 3 en heeft dam. A speelt 15 op 20. B slaat van 3 op 25. Nu slaat A van 20 een’ dam en vier schijven tot 47; heeft dam en wint de partij.

__ __

(33) A heeft tien schijven op 5,12,14,16,19,22,23,26,28 en 31. B heeft mede tien schijven op 10,15,34,35,39, 41,43,45,46 en 47. A speelt 31 op 36. B moet met 15 twee schijven slaat tot 33. A speelt 22 op 27. B is weder genoodzaakt drie schijven te slaan van 42 tot 11. Nu slaat A van 27 vier schijven tot 49, waar hij dam haalt, en de partij is voor hem op de positie uit, doch hij moet 12 afgeven.

[blz.46]

blij33
33
Diagram 33
1. 16-11 40x18 2. 27-22 07x36 3. 22x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4573

__ __

(34) A heeft acht schijven op 3,5,12,15,18,23,24 en 28. B heeft negen schijven op 19,21,26,33,34,36,37,39 en 43. A speelt 3 op 8. B slaat 19 op 10. A speelt 23 op 27. B slaat met 34 drie schijven op 3 en neemt dam. A slaat met 27 twee op 47 en heeft ook dam; nu moet B met zijn’ dam op 16 slaan. A slaat van 47 drie op 11 en wint het spel.

__ __

(35) A heeft tien schijven op 4,8,10,11,12,17,19,21,25 en 31. B heeft elf schijven op 14,23,28,30,33,35,37,39, 42,43 en 45. A speelt 21 op 26. B slaat met 14 dam

[blz.47]

blij34
34
blij35
35 
Diagram 34
1. 48-43 34x45 2. 28-22 19x48 3. 22x02 48x31 4. 02x36 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4619

Diagram 35
1. 26-21 39x48 2. 34-29 48x17 3. 30-24 28x37 4. 24x04 23x34 5. 04x10 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4574
op 3. A speelt 19 op 24. B slaat met zijn dam twee schijven tot 12. A speelt 25 op 29. B slaat naar verkiezing 23 op 12, of 28 op 19. A slaat van 29 twee en dam op 49. B moet nog eens slaan. Nu slaat A met zijn’ dam 49 zeven schijven, namelijk 33,12,19,43,42,32(dam) en 39.

__ __

(36) A heeft negen schijven op 2,3,10,11,19,21,22,26 en 32. B heeft acht schijven op 15,23,30,33,34,44,46 en 47, en een’ dam op 48. A speelt 2 op 7. B slaat 15 op 24. A speelt 22 op 27. B slaat met 33 twee op 31. A speelt 21 op 26. B slaat 31 op 22. A speelt 11 op 16. B slaat met zijn’ dam van 48 twee schijven op 12. A slaat van 7

[blz.48]

blij36
36
Diagram 36
1. 47-42 40x29 2. 27-22 18x16 3. 26-21 16x27 4. 36-31 03x37 5. 42x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4822
een’ dam en vijf schijven tot 49, en wint de partij.

__ __

(37) A heeft acht schijven op 6,14,15,17,20,23,27 en 29. B heeft mede acht schijven op 12,26,32,36,43,45,48 en 49. A speelt 20 op 25. B slaat 12 op 1 en haalt dam. Nu schijnt het spel voor A verloren, maar hij speelt 23 op 28. B is nu gedwongen om met zijn’ dam van 1 drie te slaan tot 20. A speelt 28 op34. B slaat van 32 op 23. A speelt 34 op 39. B slaat van 45 op 34. A slaat van 29 twee schijven en haalt dam op 47. B moet met zijn’ dam van 20 eene schijf slaan, en waar hij hem ook plaatst, is dezelve met drie schijven verloren, en hij is verder ingesloten.

[blz.49]

blij37
37
Diagram 37
1. 35-30 37x46 2. 28-23 46x35 3. 23-19 17x28 4. 19-14 10x19 5. 24x02 35x24 6. 02x35 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4620

__ __

(38) A heeft acht schijven op 10,12,22,23,27,28,30 en 38. B heeft zeven schijven op 20,21,31,42,44,47 en 49, en een’ dam op 41. A speelt 10 op 15. B slaat van 44 twee schijven tot 24. A speelt 22 op 26. B slaat met 31 twee op 33. A speelt 15 op 19. B slaat met zijn dam van 41 twee schijven tot 25. A slaat van 30 een’ dam en drie schijven tot 46, heeft dam en wint het spel.

__ __

(39) A heeft negen schijven op 7,9,10,11,13,16,32 en 37. B heeft tien schijven op 18,20,24,30,34,35,42,45,46 en 48. A speelt 17 op 23. B slaat met 18 twee

[blz.50]

blij38
38
blij39
39 
Diagram 38
1. 45-40 09x29 2. 27-21 16x18 3. 40-34 06x30 4. 25x01 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4780

Diagram 39
1. 32-28 33x11 2. 42-37 07x18 3. 38-33 29x38 4. 37-32 38x27 5. 31x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4606
schijven op 36. A speelt 7 op 12. B slaat 42 op 33. A speelt op 13 op 18. B slaat 24 op 13. A speelt 12 op 17. B slaat 13 op 22. A slaat nu van 16 vijf schijven tot 49 en heeft dam.

__ __

(40) A heeft negen schijven op 3,6,10,14,17,19,24,33 en 38. B heeft acht schijven op 12,15,26,32,35,45,47 en 48, en een’ dam op 30. A speelt 33 op 37. B slaat van 32 twee schijven tot 34. A speelt 24 op 28. B slaat met 15 twee op 33. A speelt 3 op 7. B is genoodzaakt met zijn’ dam twee schijven te slaan tot 22. Nu maakt A van 7 een’ zesslag tot 49 en de partij is voor hem uit.

[blz.51]

blij40
40
Diagram 40
1. 18-12 17x19 2. 29-23 40x18 3. 48-42 25x27 4. 42x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4852

__ __

(41) A heeft negen schijven op 7,12,13,14,17,27,28,34 en 39. B heeft zes schijven op 21,25,37,40,44 en 48; en twee dammen op 31 en 42. A speelt 12 op 16. B slaat van 21 drie schijven tot 32. A speelt 34 op 38. B slaat met zijn’ dam van 31 drie schijven tot 33. A slaat van 28 twee dammen en eene schijf tot 47, waar hij zelf dam neemt. B slaat 44 op 35. A slaat van 47 op 20 en het spel is voor hem uit.
__ __
(42) A heeft tien schijven op 3,5,9,11,15,16,19,23,26 en 32. B heeft negen schijven op 13,28,34,35,37, 42,43,45 en 48, en een’ dam op 4. A speelt 19 op 24. B slaat van 28 twee

[blz.52]

blij41
41
blij42
42 
Diagram 41
1. 37-31 26x17 2. 19-13 16x18 3. 13x02 09x20 4. 02x35 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4847

Diagram 42
1. 34-29 23x45 2. 28-23 49x18 3. 17-11 07x27 4. 31x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4888
schijven tot 10. A speelt 23 op 28. B slaat met zijn’ dam twee schijven tot 33. A speelt 32 op 36. B slaat van 42 op 22. A slaat een’ dam en vier schijven tot 49 en houdt zijn’ partij vastgesloten.

__ __

(43) A heeft zeven schijven op 16,17,18,21,22,34 en 39. B heeft zeven schijven op 11,25,31,40,44,47 en 48, en een’ dam op 42. A speelt 21 op 26. B slaat 44 op 35. A speelt 22 op 27. B moet met 31 of met 11 drie slaan op 24. A speelt 34 op 39. B slaat met 11 of met 31 twee schijven op 33. A doet van 39 een’ vijfslag op 46 en heeft daarmede het spel gewonnen.

[blz.53]

blij43
43
Diagram 43
1. 26-21 09x20 2. 27-22 16x29 3. 19-14 36x18 4. 14x01 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4725

__ __

(44) A heeft acht schijven op 5,18,19,23,25,29,30 en 34. B heeft vier schijven op 10,32,42 en 44, en vier dammen op 20,22,37 en 48. A speelt 30 op 35. B slaat van 37 tot 15. A speelt 34 op 38. B slaat van 44 op 33. A speelt 23 op 27. B moet met zijn dam van 48 drie slaan tot op 23. A slaat nu van 27 tot 47 twee schijven en haalt dam. B slaat van 20 en waar hij zich ook plaatst, heeft A met de volgende beurt al zijn vier dammen en wint het spel.

__ __

(45) A heeft negen schijven op 3,4,9,17,18,20,22,26 en 39. B heeft acht schijven op 31,32,37,40,41,42,43 en 48, en een’ dam op 21. A speelt 4 op 8. B slaat van 14 twee

[blz.54]

blij44
44
blij45
45 
Diagram 44
1. 25-20 12x40 2. 19-13 09x18 3. 28-22 03x28 4. 22x02 35x19 5. 02x36 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 3907

Diagram 45
1. 49-43 39x37 2. 27-22 17x28 3. 44-39 26x17 4. 48-42 37x48 5. 39-33 48x09 6. 33x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4825
tot 12. A speelt 22 op 27. B slaat 32 op 23. A speelt 9 op 14. B slaat met zijn’ dam op 32. A speelt 3 op 7. B slaat van 12 op 3 en haalt nog een’ dam. A speelt 14 op 18. B is genoodzaakt met zijn’ dam 3 twee te slaan tot 44. A slaat op zijn’ beurt van 18 drie schijven en twee dammen tot 49 en houdt de partij ingesloten.

__ __

(46) A heeft acht schijven op 2,3,13,16,18,22,26 en 29. B heeft ook acht schijven op 11,24,31,36,37,42,45 en 48. A speelt 18 op 23. B slaat met 24 op 35. A speelt 22 op 27. B slaat met 31 of met 11 twee schijven tot 33. A speelt 3 op 7. B slaat nog eens. A speelt 23 op 28. B slaat van 33 op 24. A speelt 13 op 17. B slaat

[blz.55]

blij46
46
Diagram 46
1. 33-28 29x20 2. 27-22 16x18 3. 48-42 36x27 4. 28-23 18x29 5. 38-32 27x38 6. 42x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4624
22 op 13. Nu slaat A van 7 vier schijven tot 49, heeft dam en houdt B vast.

__ __

(47) A heeft negen schijven op 2,3,14,23,24,26,29,35 en 38. B heeft zeven schijven op 12,32,37,42,45,48 en 49 en een’ dam op 21. A speelt 23 op 27. B slaat 32 op 23. A spelt 14 op 19. B slaat 21 op 32. A speelt 3 op 7. B slaat 12 op 3 en haalt dam. A speelt 24 op 28. B moet met zijn’ dam van 3 vier schijven slaat tot 24, waar hij stuit. Nu slaat A van 29 twee dammen en twee schijven tot 47, waar hij dam heeft, en het spel is voor hem, als hij eenigzins oplet, stellig gewonnen.

[blz.56]

blij47
47
Diagram 47
1. 28-22 17x28 2. 39-34 26x17 3. 48-42 37x48 4. 29-23 48x29 5. 24x02 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4854

__ __

(48) A heeft acht schijven 3,5,6,12,13,16,18 en 32. B heeft negen schijven op 15,19,28,29,33,37,38,43 en 48. A speelt 18 op 23. B slaat twee schijven van 28 op 8. A slaat drie schijven van 3 tot 34. B slaat van 38 op 29 of van 37 op 26. A speelt 6 op 11. B slaat nog eens. A speelt 5 op 9. B slaat 15 op 4. A speelt 12 op 17. B slaat met zijn’ dam op 22. Mu[18] slaat A van 16 een dam en twee schijven tot 47, waar hij dam haalt; en het spel is voor hem gewonnen, wanneer hij 29 tot 13 vervolgt.

__ __

[18] Zetfout, moet zijn: Nu

(49) A heeft tie schijven op 4,5,19,20,21,23,24,25,27 en 29. B heeft elf schijven op 30,31,32,33,

[blz.57]

blij48
48
blij49
49 
Diagram 48
1. 33-28 23x43 2. 48x19 12x21 3. 41-36 13x24 4. 50-44 40x49 5. 37-32 49x27 6. 31x02 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4623

Diagram 49
1. 49-44 18x27 2. 28-23 19x28 3. 29-23 20x49 4. 23x03 25x34 5. 03x04 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4890
34,35,36,38,39,40 en 43 en een’ dam op 7. A speelt 4 op 9. B slaat 33 op 22. A speelt 23 op 28. B slaat 34 op 23. A speelt 24 op 28. B moet met 35 drie slaan tot 4 en nog een dam nemen. A slaat van 28 vier schijven tot 48 en heeft ook een dam. B slaat van 30 op 19. Nu slaat A van 48 een’ dam en drie schijven, houdt den laatsten dam van B aan beide zijden ingesloten, en wat deze ook beproeve moge, is hij het spel kwijt.

__ __

(50) A heeft elf schijven op 3,5,12,14,18,22,23,24,25,26 en 28. B heeft tien schijven op 10,15,21,32,33,34,37, 38,39 en 42 en een’ dam op 7.

[blz.58]

blij50
50
Diagram 50
1. 27-22 18x16 2. 28-22 42x18 3. 30-25 19x28 4. 33x02 18x43 5. 02x20 A. May van Vollenhoven (nieuwe stand)
A speelt 22 op 27. B slaat van 33 twee schijven tot 31. A speelt 23 op 27. B moet met zijn dam twee schijven slaan tot 33. A speelt 25 op 30. B slaat 34 op 23. A slaat van 18 drie schijven op 47 en heeft dam. B slaat met zijn’ dam twee schijven tot 8. Nu maakt A een’ vierslag tot 50 en wint de partij.

__ __

(51) A heeft tien schijven op 2,12,13,14,16,17,18,23,26 en 35. B heeft negen schijven op 15,21,25,27,32,34,37,38 en 45, en een’ dam op 1. A speelt 16 op 22. B slaat van 27 twee schijven op 7. A speelt 23 op 27. B slaat van 32 twee schijven tot 12. A speelt 14 op 19. B slaat van 25 weder twee schijven tot 23. A speelt 2 op 6. B slaat van 21 op 32

[blz.59]

blij51
51
Diagram 51
1. 31-27 22x42 2. 28-22 17x37 3. 39-34 30x28 4. 47-41 26x17 5. 41x05 42x33 6. 20-14 46x10 7. 05x02 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4889
of van 7 op 18. A slaat van 6 vier schijven tot 50, waar hij dam haalt. B slaat nog eens. A speelt 35 op 39. B slaat van 1 op 45, is zijn dam met drie schijven en met dezelve de partij kwijt.

__ __

(52) A heeft dertien schijven op 2,3,6,8,10,17,18,19 [19]22,24,26,29 en 30. B heeft tienschijven[20] op 11,33,37,38,40,43,44,45,49 en 50; en twee dammen op 15 en 31. A speelt 26 op 32. B slaat 37 op 26. A speelt 19 op 25. B slaat met zijn’ dam van 15 drie schijven tot 1. A speelt 3 op 7. B slaat 26 op 17. A speelt 7 op 12. B slaat 17 op 6. A speelt 30 op 35. B slaat met zijn’ dam op 4. A speelt 10 op 15. B slaat van 4 op 20. A speelt 25 op 30. B

[blz.60]

[19] Zetfout; komma vergeten

[20] Zetfout; spatie vergeten

blij5252 Diagram 52
1. 21-17 12x21 2. 34-30 40x46 3. 48-42 21x32 4. 42-37 32x41 5. 25-20 16x49 6. 45-40 49x35 7. 30-25 35x19 8. 20-14 09x20 9. 25x03 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5220
slaat 20 op 34. A speelt 35 op 39. B slaat 44 op 35. Nu slaat A van 30 een’ dam en drie schijven tot 48, heeft zelf een dam en wint de partij; want B 38 wordt door A 18 vastgehouden, en de andere schijven van B, waarover hij beschikken kan, zijn door den dam van A ingesloten.

__ __

(53) A heeft elk schijven op 1,4,11,12,13,16,17,18,23,25 en 28. B heeft tien schijven op 21,26,32,34,35,36, 37,39,40 en 43; en een’ dam op 10. A speelt 4 op 8. B slaat van 10 op 33. A speelt 23 op 28. B slaat van 34 drie schijven tot 3. A speelt 25 op 29. B slaat 35 op 24. A speelt 13 op 18. B slaat van 24 twee schijven tot 22. A slaat van 16 drie

[blz.61]

blij5353 Diagram 53
1. 49-43 45x18 2. 28-23 19x48 3. 30-24 20x29 4. 38-33 29x27 5. 31x02 48x31 6. 36x18 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 2500
stukken tot 47. B moet met zijn’ dam van 3 slaan tot 16. Nu slaat A van 11 een’ dam en drie schijven tot 33, en heeft gewonnen.

__ __

(54) A heeft zeven schijven op 7,15,16,19,20,25 en 28. B heeft vijf schijven op 21,39,40,45 en 48, en een’ dam op 43. A speelt 19 op 24. B slaat met 21 twee schijven en haalt nog een’ dam op 3. A speelt 24 op 29. B slaat met zijn’ dam op 30. A speelt 20 op 25. B moet van 30 drie slaan tot 34, waar hij stuit. A slaat de beide dammen van B tot 47, en houdt zijne vier overige schijven ingesloten

[blz.62]

blij5454 Diagram 54
1. 34-29 26x48 2. 29-24 48x25 3. 35-30 25x19 4. 24x02 A. May van Vollenhoven / Baledént no. 2110

__ __

(55) A heeft zeven schijven op 6,7,19,22,23,29 en 36. B heeft vier schijven op 33,38,41 en 43, en twee dammen op 37 en 44. A speelt 6 op 12. B slaat 41 op 32. A speelt 23 op 27. B slaat 32 op 23. A speelt 22 op 26. B slaat met zijn’ dam op 21. A speelt 12 op 17. B moet met zijn’ dam drie slaan tot op 34. A slaat 5 tot 28, en zet de laatste schijf van B vast.

__ __

(56) A heeft tien schijven op 3,5,7,8,10,14,16,18,43 en 45. B heeft acht schijven op 6,17,20,25,27,29,32 en 44, en twee dammen op 1 en 26. A speelt 16 op 22. B slaat 27 op 16. A speelt 18 op 23. B slaat 17 op 28. A speelt

[blz.63]

blij55
55
blij5656
Diagram 55
1. 41-37 06x17 2. 28-22 17x28 3. 27-21 12x26 4. 37-32 26x19 5. 32x23 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4729

Diagram 56
1. 31-27 22x31 2. 33-28 32x23 3. 08-03 21x49 4. 03x37 41x32 5. 39-34 30x39 6. 45-40 35x44 7. 42-38 32x43 8. 10-05 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5149
43 op 48 en neemt dam. B slaat van 26 op 4. A slaat van 48 tot 12 vijf schijven, namelijk 44,29,28,32 en 16. B slaat 6 tot 17. A speelt 14 op 19. B slaat 25 op 14. A speelt 10 op 15. B slaat 20 op 9. A speelt 7 op 13. B slaat slaat 17 op 8. A speelt 45 op 50, haalt dam en heeft zijne partij in beide zijne positien vastgezet.

__ __

(57) A heeft zeven schijven op 4,5,13,14,15,25 en 35. B heeft vijf schijven op 26,28,36, 39 en 44, en een’ dam op 37. A speelt 15 op 19. B slaat 39 op 30. A speelt 19 op 24. B heeft keus om met 30 of met 28 drie te slaan op 17. A slaat in het eerste geval met 24 vijf stukken, en in het

[blz.64]

blij5757 Diagram 57
1. 40-34 14x25 2. 34-29 25x32 3. 29x38 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 4724
laatste speelt hij 5 op 9. B slaat 30 op 19. A speelt op 14. B slaat met 19 op 8. A slaat met 4 vijf stukken, en wint de partij.

__ __

(58) A heeft elf schijven op 1,7,10,12,17,20,21,22,27,28 en 30. B heeft acht schijven op 11,14,19,29,31,36,37 en 39, en zes dammen op 3,4,5,8,35 en 38. A speelt 28 op 33. B slaat 37 op 28. A speelt 20 op 25. B slaat 29 op 20. A speelt 21 op 26. B slaat met zijn’ dam van 35 op 2. A speelt 27 op 32. B slaat van 36 op 7, drie schijven. A slaat[21] van 30 op 35. B is genoodzaakt van 31 twee schijven te slaan tot 13. A slaat nu van 35 een’ dam en drie schijven tot 15. B slaat van 20 op 9. A speelt 1 op 6, en houdt met twee

[blz.65]

[21] Zetfout; moet zijn: speelt

blij5858 Diagram 58
1. 23-18 12x23 2. 35-30 24x35 3. 26-21 20x47 4. 22-17 11x42 5. 25-20 16x38 6. 20x40 35x44 7. 46-41 B.W. Blijdenstein / Baledént no. 5316
schijven, vijf dammen en vijf schijven van zijne partij ingesloten

[blz.66]

   
(volgt uitklapbaar diagram op blz. 67)