Teksten en standen 1826

image1 image2
image3 Blijdenstijn18591866 202 

1826 01 No. 1.
A. heeft zes schijven, op 11, 12, 14, 17, 26 en 27.
B. heeft mede zes schijven, op 24, 31, 37, 44, 47 en 48

A. speelt 14 op 18. – B. slaat met drie schijven op 33. – A. speelt 12 op 16. – B. slaat van 31 op 22. – A. slaat van 16 drie schijven op 49, heeft dam en wint.
1. 39-33 29x18 2. 37-31 16x27 3. 31x04 
   
1826 01 No. 2
A. heeft zes schijven, op 13, 14, 17, 18, 23 en 24.
B. heeft vijf schijven, op 27, 28, 32, 42 en 44, en een dam op 6.

A. speelt 18 op 24. – B. slaat drie schijven van 27 op 38. – A. speelt 13 op 18. – B. slaat met zijn dam op 23. – A. slaat van 18 op 47, haalt dam en wint het spel.
1. 33-29 22x13 2. 38-33 41x28 3. 33x02
   
1826 01 No. 3.
A. heeft zes schijven, op 12, 15, 23, 24, 25 en 28.
B. heeft vijf schijven, op 21, 33, 37, 45 en 48, en een dam op 17.

A. speelt 15 op 20 – B. slaat met zijn dam van 17 op 6 of 1. – A. speelt 24 op 29. – B. slaat met 33 twee schijven op 35. – A. speelt 25 op 29. – B. slaat met zijn dam twee op 25. – A. slaat met 20 een dam en twee schijven op 49, en wint.
1. 40-35 32x41 2. 29-24 18x20 3. 30-24 41x30 4. 35x04 
   
1826 01 No. 4.
A. heeft drie schijven, op 14, 34 en 38 en een dam op 40.
B. heeft een schijf op 48 en een dam op 17.
Dit spel is schijnbaar remise, daar B. de middellinie heeft, en A, wanneer hij de zet niet ontdekt, zeker een schijf verliest, maar A. speelt 34 op 39. – B. slaat 17 op 50, - nu speelt A 38 op 44- B slaat 48 op 39. – A. plaatst zijn dam op 45. – B is genoodzaakt met zijn schijf op 35 te gaan. – A. trekt zijn dam terug op 1. – B. kan niet anders dan met 35 op 29 of 30 en verliest in beide gevallen de partij.
1. 19-14 32x05 2. 13-09 03x14 3. 15-10 14-20 4. 10-46 
   
1826 01 No. 5.
A. heeft negen schijven, op 5, 9, 18, 22, 23, 26, 28, 33 en 38.
B. heeft ook negen schijven, op 15, 20, 29, 36, 37, 42, 44, 47 en 49.

A. speelt 23 op 27. – B. slaat met 15 dam op 4. – A speelt 26 op 32. – B. slaat met 37 twee schijven op 17. – A speelt 5 op 9. – B. slaat met zijn dam op 15. – A. speelt 18 op 24. – B. slaat 29 op 18. – A. speelt 27 op 32. – B. slaat 36 op 27. – A. slaat met 33 drie schijven op 24. – B. slaat met 44 op 33. – A. slaat twee en heeft dam van 28 op 46. – B. moet met zijn dam 24 slaan, en is de partij kwijt.
1. 28-22 40x49 2. 21-17 12x32 3. 50-44 49x40 4. 33-29 24x33 5. 22-17 11x22 6. 18x29 09x18 7. 23x01 40x23
   
1826 01 No. 6.
A. heeft zeven schijven, op 9, 11, 16, 17, 20, 29 en 33.
B. heeft ook zeven schijven, op 26, 32, 35, 40, 42, 43 en 44, en een dam op 47.

A. speelt 33 op 38. - B. slaat met twee van 43 op 25. – A. slaat 20 op 29. – B. slaat met zijn dam op 47 drie op 22. – A slaat van 16 een dam en twee schijven tot 47, heeft dam en wint, als hij goed speelt, zeker de partij.
1. 18-13 08x30 2. 35x24 02x27 3. 31x02. Conclusie is juist, toch een aanname van de uitgever dat de koper van het boekje geen beginnende dammer is.
   
1826 01 No. 7.
A. heeft zes schijven op, 7, 9, 14, 18, 21 en 27.
B. heeft ook zes schijven, op 28, 31, 36, 37, 38 en 39; en een dam op 11.

A. speelt 14 op 19. – B. slaat met zijn dam van 11 op 33. – A. speelt 18 op 23. – B. slaat van 28 op 17. – A. speelt 7 op 13. – B. slaat met zijn dam twee van 33 op 4. – A. slaat van 13 op 22. – B. slaat van 4 op 26. – A. slaat den dam en drie schijven tot 45, en wint.
1. 39-34 36x18 2. 33-28 23x32 3. 42-38 18x49 4. 38x27 49x21 5. 26x10
   
1826 01 No. 8.
A. heeft zeven schijven, op 3, 4, 18, 24, 27, 33 en 38.
B. heeft acht schijven, op 26, 35, 40, 42, 43, 44, 47 en 49.

A. speelt 33 op 37. – B. slaat van 43 drie schijven tot 14. – A. speelt 24 op 29. – B. slaat naar willekeur 35 op 24, of 44 op 33. – Intusschen speelt A. van 4 op 8. – B. slaat nog eens. – A. slaat van 8 vier, heeft dam op 46, en wint het spel, want B. 26 wordt door A. 3 vastgezet.
1. 18-12 08x39 2. 29-24 20x29 3. 49-43 09x18 4. 43x01 eindspel wint.
   
1826 01 No. 9.
A. heeft 13 schijven, op 4, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 21, 23 en 24.
B. heeft mede dertien schijven, op 15, 22, 26, 27, 30, 32, 33, 35, 38, 39, 40, 41 en 43.

Dit is zoo als het voorkomt meer een spel dan eene zet, en B. heeft blijkbaar de overhand, daar hij zonder verlies dam kan halen; maar A., de positie beter doorziende, speelt 4 op 9. – B. slaat 15 op 4 en heeft dam. – A. speelt 24 op 29. – B. moet men 35 op 24 slaan – A. slaat 18 op 29. – B. slaat van 27 twee schijven op 9. – A. slaat van 16 twee schijven op 36. – B. slaat van 41 op 32. – A. speelt van 29 op 35. – B. slaat van 40 op 29. – A. speelt 8 op 14. – B slaat 9 op 18. – A. slaat met 13 drie schijven op 44. – B. slaat nog eens. – A. slaat van 16 een dam en twee schijven op 47, en wint.
1. 49-44 40x49 2. 29-24 20x29 3. 33x24 22x44 4. 31x11 06x17 5. 24-20 15x24 6. 43-39 44x33 7. 38x09 13x04 8. 37-31 49x27 9. 31x02 
   
1826 01 No. 10.
A. heeft acht schijven, op 7, 12, 15, 16, 20, 25, 26 en 30.
B. heeft mede acht schijven, op 23, 32, 34, 35, 37, 39, 43 en 45.

B. heeft blijkbaar eene fout begaan, met van 36 op 32 te loopen. A. neemt de positie waar, om zich van de winst van het spel te verzekeren, en speelt 25 op 29. – Nu heeft B. keus, maar met 32 kan hij niet slaan, want dan is het zeker uit; met 34 nog minder, want slaat A. dam tot 49; hij moet dus met 35 op 24 slaan. – Nu speelt A. 12 op 17. – B. is genoodzaakt drie te slaan van 32 op 3 en dam. – A. slaat op zijne beurt van 17 op 19. – B. slaat van 3 op 25. – A. 20 op 47 met dam, en als hij geen grote fouten begaat is het spel zeker voor hem gewonnen.
1. 30-24 20x29 2. 37-32 17x48 3. 32x34 48x30 4. 35x02
   
1826 01 No. 11
A. heeft acht schijven, op 3, 5, 12, 15, 18, 23, 24 en 28.
B. heeft negen schijven, op 19, 21, 26, 33, 34, 36, 37, 39 en 43.

A. speelt 3 op 8. – B. slaat 19 op 10. – A. speelt 23 op 27. – B. slaat met 34 drie schijven op 3, en neemt dam. – A. slaat met 27 twee op 47 en heeft ook dam; nu moet B. met zijn dam op 16 slaan. – A. slaat van 47 drie op 11, en wint het spel.
1. 48-43 34x45 2. 28-22 19x48 3. 22x02 48x31 4. 02x36 
   
1826 01 No. 12
A. heeft zeven schijven, op 16,17, 18, 21, 22, 34 en 39.
B. heeft zeven schijven, op 11, 25, 31, 40, 44, 47 en 48; en een dam op 42.

B. is hier met reden op een schijf geloopen en het spel schijnt voor hem gewonnen, doch A. – speelt 21 op 26. – B. slaat 44 op 35. – A. speelt 22 op 27. – B. moet met 31 of met 11 drie slaan op 24, - A. speelt 34 op 39. – B. slaat met 11 of 31 twee schijven op 33. – A. doet van 39 een vijfslag op 46, en heeft het spel gewonnen.
1. 26-21 09x20 2. 27-22 16x29 3. 19-14 36x18 4. 14x01
   
1826 01 No. 13
A. heeft zeven schijven, op 9, 11, 16, 23, 24, 25 en 26.
B. heeft zes schijven, op 33, 34, 37, 41, 44 en 48; en een dam op 38.

B. moet hier niet slaan, en de positie vertoont niets anders dan dat A. zijn spel schijnbaar slecht heeft opgebragt, en de verliezer zal wezen; - maar A. speelt 26 op 32. – B. slaat met 37 op 26. – Nu speelt A., wiens positie nog gevaarlijker schijnt, 23 op 28. – B. slaat met 34 op 23. – A. speelt 24 op 28. – B. slaat met zijn dam twee schijven op 4. – A. slaat van 28 op 17. – B. slaat met zijn dam op 22. – A. slaat met 16 drie op 49 en dam, en het spel is uit.
1. 21-17 12x21 2. 28-23 19x28 3. 29-23 13x49 4. 23x32 49x27 5. 31x04 
   
1826 01 No. 14
A. heeft zes schijven, op 3, 6, 17, 20, 24 en 36.
B. heeft ook zes schijven, op 14, 34, 35, 41, 45 en 47; en een dam op 39.

A. speelt 20 op 25. – B. slaat 41 op 32. – A. speelt 25 op 29. – B. slaat 34 op 25. – A. speelt 3 op 8. – B. slaat met zijn dam twee schijven op 1. – A. slaat van 8 vier schijven op 50, en wint.
1. 35-30 06x17 2. 30-24 19x30 3. 48-43 14x46 4. 43x05
   
1826 01 No. 15
A. heeft zeven schijven, op 4, 5, 13, 14, 15, 25 en 35.
B. heeft vijf schijven, op 26, 28, 36, 39 en 44; en een dam op 37.

A. speelt 15 op 19. – B. slaat 39 op 30. – A. speelt 19 op 24. – B. heeft keus om met 30 of met 28 drie te slaan op 17. – A. slaat in het eerste geval met 24 vijf stukken, en in het laatste speelt hij 5 op 9. – B. slaat 30 op 19. – A. speelt op 14. – B. slaat met 19 op 8. – A. slaat met 4 vijf stukken, en wint de partij.
1. 40-34 14x25 2. 34-29 23x32 3. 50-44 25x34 4. 44-39 34x43 5. 49x18
   
1826 01 No. 16
A. heeft zeven schijven, op 6, 7, 19, 22, 23, 29 en 36.
B. heeft vier schijven, op 33, 38, 41, 43; en twee dammen op 37 en 44.

Deze zet is onwaarschijnlijk, daar A. zich niet ligt zoo vel zal wagen, met al zijne schijven uit een te plaatsen; echter leert dezelve hoe men somtijds van een schijnbaar gevaarlijke positie gebruik kan maken. A. spelt 6 op12. – B. slaat 41 op 32. – A. speelt 23 op 27. – B. slaat 32 op 23. – A. speelt 22 op 26. – B. slaat met zijn dam op 21. – A. speelt 12 op 17. – B. moet met zijn dam drie slaan tot op 34. – A. slaat 5 tot 28, en zet de laatste schijf van B. vast.
1. 41-37 06x17 2. 28-22 17x28 3. 27-21 12x26 4. 37-32 26x19 5. 32x23. Oppositie! 
   
1826 01 No. 17
A. heeft zeven schijven, op 7, 13, 16, 19, 20, 25 en 28.
B. heeft vijf schijven, op 21, 39, 40, 45 en 48; en een dam op 43.

A. speelt 19 op 24. – B. slaat met 21 twee schijven en haalt nog een dam op 3. – A. speelt 24 op 29. – B. slaat met zijn dam op 30. – A. speelt 20 op 25. – B. moet van 30 drie slaan tot op 34, waar hij stuit. – A. slaat de beide dammen van B. tot op 47, en houdt zijn overige vier schijven ingesloten.
1. 34-29 26x48 2. 29-24 48x25 3. 35-30 25x19 4. 24x02
   
1826 01 No. 18
A. heeft zes schijven, op 3, 18, 19, 25, 35 en 39.
B. heeft zes schijven, op 22, 27, 32, 33, 45 en 50; en een dam op 48.

Dit spel is op dezelfde wijze uit als het voorgaande. A. speelt 19 op 24. – B. slaat 45 op 34. – A. speelt 24 op 28. – B. moet nu met zijn dam drie slaan tot 23. – Nu slaat A. vijf tot 39, en heeft gewonnen.
1. 34-29 10x19 2. 29-23 03x28 3. 23x14
   
1826 01 No. 19
A. heeft tien schijven, op 4, 8, 10, 11, 12, 17, 19, 21, 25 en 31.
B. heeft elf schijven, op 14, 23, 28, 30, 33, 35, 37, 39, 42, 43 en 45.

B. heeft eene schijf meer en haalt dam, waarbij hij ten minste zeker nog een schijf wint, zijne positie schijnt dus veel beter dan die van A.; maar dit spel is weder een van diegenen, waaruit blijkt dat het in het damspel evenzeer en dikwijls meer aankomt op het verband der schijven in betrekking met die van partij, dan alleen op gesloten spel, dat wel goed is in ’t algemeen, maar toch altoos naar de positie van den vijand behoord geregeld te worden. A. speelt 21 op 26. – B. slaat met 14 dam op 3. – A. speelt 19 op 24. – B. slaat met zijn dam twee schijven tot 32. – A. speelt 25 op 29. – B. slaat naar verkiezing 28 op 12, of 28 op 19. – A. slaat van 29 twee en dam op 49. – B. moet nog eens slaan. Nu slaat A. met zijn dam 49 zeven schijven, namelijk 33, 12, 19, 43, 42, 32 (dam), en 39.
1. 26-21 39x48 2. 34-29 48x17 3. 30-24 23x34 4. 24x04 28x37 5. 04x10 
   
1826 01 No. 20
A. heeft acht schijven, op 3 ,7, 10, 11, 16, 18, 23 en 25
B. heeft zeven schijven, op 22, 27, 32, 34, 41, 43 en 50; en twee dammen op 20 en 28.

Dit schijnt niet anders dan een gewonnen spel voor B.; en zoo als de positie zich oppervlakkig voordoet, zoude men zeggen dat A. zeer slecht moest gespeeld hebben, om het zoo ver te laten komen; en dat hij best deed met naar een nieuwspapier onder het bord te zoeken, om er met eere af te raken. Ook is deze zet alleen opgegeven om op nieuw tot een bewijs te dienen, dat men zijn spel altoos in verband met dat van zijne partij moet beschouwen; en als een goed krijgsoverste niet alleen berekenen, hoe zwaar de eigen kracht weegt, maar allereerst was[1] zij in haren stand kan uitwerken, tegen die, waarin de vijand zich bevindt. A. speelt 10 op 15. – B. slaat met zijn dam twee schijven op 21. – A. speelt 35 op 39. – B. moet met zijn dam van 20 twee slaan tot 23. – A. slaat nu vier van 39 vier schijven en een dam, haalt zelf dam op 48, en het spel is voor hem gewonnen.
1. 45-40 23x26 2. 20-14 35x28 3. 14x03 
[1] Zetfout. Moet zijn: wat
   
1826 01 No. 21
A. heeft acht schijven, op 2, 4, 8, 16, 18, 23, 27 en 30.
B. heeft zeven schijven, op 22, 29, 31, 36, 43, 44 en 47, en dam op 32.

A. speelt 27 op 33. – B. slaat 22 op 11. – A. speelt 33 op 38. – B. heeft keus om 43 of 44 op 33 te slaan. In beide gevallen speelt A. 2 op 6. – B. slaat met 11 dam op 2. – A. speelt 8 op 14. – B. slaat met zijn dam van 2 op 24. – A. speelt 14 op 19. – B. slaat van 32 twee tot 25. – A. slaat vier en haalt dam op 48.
1. 22-18 27x36 2. 18-13 09x18 3. 47-41 36x47 4. 43-39 47x29 5. 39-34 17x30 6. 25x03 
   
1826 01 No. 22
A. heeft negen schijven, op 2, 3, 10, 11, 19, 21, 22, 26 en 32.
B. heeft acht schijven, op 15, 23, 30, 33, 34, 44, 46 en 47, en een dam op 48.

A. speelt 2 op 7. – B. slaat 15 op 24. – A. speelt 22 op 27. B. slaat met 33 twee op 31. – A. speelt 21 op 26. – B. slaat 31 op 22. – A. speelt 11 op 16. – B. slaat met zijn dam van 48 twee schijven op 12. – A. slaat van 7 een dam en vijf schijven tot 49, en wint de partij.
1. 47-42 40x29 2. 27-22 18x16 3. 26-21 16x27 4. 36-31 03x37 5. 42x04 
   
1826 01 No. 23
A. heeft zeven schijven, op 11, 12, 22, 24, 26, 28 en 34.
B. heeft ook zeven schijven, op 31, 32, 35, 37, 44, 45 en 50.

A. speelt 34 op 38. – Nu heeft B. keus om te slaan, maar het is blijkbaar dat hij dit niet met 32 moet doen, want dan is hij het spel op positie kwijt; B. slaat dus 44 op 33. – A. speelt 22 op 27. – B. moet met 32 twee slaan tot 34. – A. slaat 12 op 16. – B. slaat van 31 op 22. – A. slaat van 16 vijf schijven, en heeft dam op 49.
1. 19-13 09x18 2. 27-22 17x19 3. 37-31 16x27 4. 31x04
   
1826 01 No. 24
A. heeft acht schijven, op 8, 13, 16, 18, 22, 23, 24 en 27.
B. heeft mede acht schijven, op 25, 29, 32, 33, 35, 36, 38 en 44.

A. speelt 24 op 28. – B. slaat met 33 op 24. – A. speelt 23 op 28. – B. moet met 32 drie schijven slaan en dam halen op 3. – A. slaat met 28 vier schijven, en haalt dam op 48. – B. slaat met zijn dam van 3 op 21. – A. speelt 22 op 26. – B. moet met zijn dam slaan en is dezelve kwijt.
Dit spel is zeker voor A. gewonnen, doch hij moet goed opletten, want zijn 13 kan 29 van B. niet tegenhouden; hij slaat dus met zijn dam op 26. – Nu is er geen kans meer voor B. dan met 38 op 33 te te[2] spelen. – A. gaat met zijn dam op 31. – B. moet van 36 op 32 gaan. – A. loopt met zijn dam op 47, en het spel is gewonnen.
1. 29-23 18x29 2. 28-23 17x48 3. 23x03 48x26 4. 27-21 26x17 5. 03x21 13-18 6. 21-16 11-17 7. 16-02 w+
[2] Zetfout
   
1826 01 No. 25
A. heeft elf schijven, op 2, 5, 6, 7, 14, 17, 22, 23, 31, 34 en 39; en een dam op 3
B. heeft negen schijven, op 11, 15, 20, 24, 26, 30, 42, 43 en 48; en twee dammen op 4 en 50.

Deze zet zal niet ligt op het bord voorkomen, en al mogt dit gebeuren, dan zoude zij, uithoofde van hare moeijelijke zamenstelling waarschijnlijk niet doorzien worden; maar zij verdient eene dubbele opmerking, vooreerst om hare zonderlinge uitkomst, en ten tweede omdat zij alweder een bewijs oplevert dat de positien op het dambord onuitputtelijk zijn, en een volmaakt speler er naauwelijks een zoude aantreffen, waarbij hij geene goede uitkomst, of ten minste een belangrijk voordeel voor zich berekenen konde.
A. speelt 23 op 28. – B slaat 24 op 33, - A. speelt 14 op 19. – B. slaat 15 op 24. – A. speelt 39 op 44. – B. slaat met zijn dam van 50 drie schijven op 1. – A. speelt 5 op 10. – B. slaat naar willekeur 48 of 39, of 26 op 17. – A. speelt zijn dam van 3 op 14. – B. slaat nog eens. – A. speelt 7 op 12. – B. slaat 17 op 6. – A. speelt met zijn dam van 14 op 9. – B. slaat van 4 op 15,[3] - A. Slaat van 10 een dam en drie schijven op 46, heeft dam, en wint de partij met drie stukken tegen zeven.
1. 28-23 29x18 2. 39-34 40x29 3. 14-09 05x46 4. 50-45 03x14 5. 48-39 21x32 6. 42-37 32x41 7. 39-44 49x40 8. 45x01
[3] Zetfout

image30 image31
image32  Blijdenstijn18591866 202

1826 01 No. 26
A. heeft vijf schijven, op 4, 10, 22, 27 en 34.
B. heeft vier schijven, op 15, 39, 43 en 45; en een dam op 19.

A. speelt 27 op 32. – B. slaat van 39 op 28. A. speelt van 4 op 9. – B. slaat van 15 en haalt nog een dam op 4. – A. speelt 10 op 15. – B. moet dan met zijn dam 4 twee schijven slaan tot 37. – Nu slaat A. van 15 een schijf en de beide dammen van partij, en wint het spel.
1. 22-17 14x23 2. 49-44 40x49 3. 45-40 49x12 4. 40x07
   
1826 01 No. 27
A. heeft vijf schijven, op 8, 12, 14, 22 en 27.
B. heeft zes schijven, op 25, 32, 34, 36, 38 en 45.
Deze zet is, even gelijk de vorige, eenvoudig, doch daarom van te meerdere toepassing, dewijl zij zeer wel in een gewoon spel kan voorkomen, of ten minste aanleiding geven, om van een vrije beurt gebruik te maken, ten einde zijn positie te verbeteren
A. speelt 14 op 19. – B. slaat van 25 twee schijven op 3, en haalt dam. – A. speelt 22 op 26. – B. moet met zijn dam weder twee schijven slaan tot 33. – Nu slaat A. van 26 drie schijven en een dam tot 50, en wint op eene wijze, welke zich bij den aanvang der zet niet liet aanzien.
1. 39-34 30x48 2. 27-21 48x18 3. 21x05
   
1826 01 No. 28
A. heeft zes schijven, op 3, 7, 9, 13, 22 en 33.
B. heeft vijf schijven, op 19, 37, 39, 42 en 44, en een dam op 48.

A. speelt 22 op 26. - B. slaat van 37 op 28. - A. speelt 9 op 14. - B. slaat van 19 twee schijven tot 17. - A. speelt 7 op 12. – B. slaat met zijn dam van 48 op 7. – A. slaat van 3 een dam en drie schijven. En de partij is uit, want schoon B. met 44 af te geven nog uitstel krijgt, kan hij echter niet tot dam geraken.
1. 27-21 12x23 2. 44-39 34x32 3. 42-37 03x42 4. 48x10
   
1826 01 No. 29
A. heeft acht schijven, op 6, 14, 15, 17, 20, 23, 27 en 29.
B. heeft mede acht schijven, op 12, 26, 32, 36, 43, 45, 48 en 49.

A. speelt 20 op 25. – B. slaat van 12 op 1 en haalt dam. – Nu schijnt het spel voor A. verloren, maar hij speelt 23 op 28. – B. is nu gedwongen om met zijn dam van 1 drie te slaan tot 20. – A. speelt 28 op 34. – B. slaat van 32 op 23. – A. speelt 34 op 39. – B. slaat van 45 op 34. – A. slaat van 29 twee schijven en haalt dam op 47. – B. moet met zijn dam van 20 een schijf slaan, en waar hij hem ook plaatst is dezelve met drie schijven verloren, en hij blijft verder ingesloten.
1. 35-30 37x46 2. 28-23 46x35 3. 23-19 17x28 4. 19-14 10x19 5. 24x02 35x24 6. 02x35
   
1826 01 No. 30
A. heeft zeven schijven, op 2, 7, 15, 17, 24, 28 en 39.
B. heeft ook zeven schijven, op 11, 16, 23, 31, 37, 38 en 39, en een dam op 40.

A. speelt 17 op 22. – B. slaat van 23 twee schijven op 25. – A. speelt 7 op 12. – B. slaat met zijn dam van twee schijven tot 26. – A. slaat een dam en vier schijven tot 45, en wint.
1. 32-27 28x30 2. 42-37 15x21 3. 37x10
   
1826 01 No. 31
A. heeft negen schijven, op 5, 9, 12, 13, 14, 15, 22, 23 en 26.
B. heeft tien schijven, op 20, 29, 30, 32, 33, 34, 37, 38, 39 en 43.

Deze positie is niet onnatuurlijk, en het kan zeer wel op het bord voorkomen, want dat het spel van A. niet gesloten is, moet men veronderstellen dat met voordacht geschied is, om de zet te krijgen, echter is dezelve zoo tezamengesteld dat zelfs een geoefend speler er niet gemakkelijk zal doorzien.
A. speelt 14 op 18. – B. slaat van 32 op 21. – A. speelt 9 op 14. – B. slaat 20 op 9. – A. speelt 12 op 16. – B. slaat met 21 op 12. – A. speelt 22 op 27. – B. slaat 33 op 22. – A. speelt 23 op 28. – B. slaat 34 op 23. – A. slaat met 18 drie schijven tot 7. – B. slaat van 9 op 18. – A. slaat van 13 vijf schijven tot 42, en het spel is uit.
1. 39-33 17x26 2. 44-39 35x44 3. 37-31 26x37 4. 27-22 18x27 5. 28-23 19x28 6. 33x42 44x33 7. 38x07
   
1826 01 No. 32
A. heeft zes schijven, op 5, 7, 8, 17, 26 en 40.
B. heeft zes schijven, op 14, 19, 29, 35, 37 en 39.

A. speelt 7 op 12. – B. slaat van 14 op 3, en heeft een dam. – A. speelt 40 op 45. – B. moet met zijn dam twee slaan op 32. – A. slaat van 45 drie schijven tot 14. – B. slaat van 32 tot 9. – A. slaat van 5 op 14, en houdt de beide schijven van B. ingesloten.
1. 42-37 39x48 2. 15-10 48x17 3. 10x39 17x44 4. 50x39
   
1826 01 No. 33
A. heeft zeven schijven, op 4, 8, 14, 16, 26, 31 en 33.
B. heeft acht schijven, op 24, 29, 36, 37, 39, 41, 42 en 46.

A. speelt 8 op 13. – B. slaat 37 op 28. – A. speelt 26 op 32. – B. slaat 36 op 27. – A. speelt 14 op 19. – B. slaat 24 op 15. – A. speelt 4 op 9. – B. slaat 15 op 4 en heeft een dam. – A. speelt 16 op 22. – B. is genoodzaakt met zijn dam twee te slaan tot 26. – Nu slaat A. van 31 een dam en vierschijven op 44, neemt vervolgens dam op 49, en houdt de drie overige schijven van B. vast.
1. 43-38 12x23 2. 39-34 29x40 3. 21-17 11x22 4. 49-44 40x49 5. 31-27 49x21 6. 16x09
   
1826 01 1826 34aNo. 34 No. 34a
A. heeft acht schijven, op 5, 18, 19, 23, 25, 29, 30 en 34.
B. heeft vier schijven, op 10, 32, 42 en 44; en vier dammen, op 20, 22, 37 en 48.

Deze positie is onnatuurlijk, want hou zoude B. aan vier dammen gekomen zijn, en er niet vroeger gebruik van gemaakt hebben, om het spel ten einde te brengen? Want men kan niet veronderstellen dat de zet, welke hier voorkomt, een gevolg van berekening van A. zoude zijn. Maar de liefhebbers van het damspel zullen daarom niet minder genoegen scheppen in eene uitkomst, die hun ten minste toont, dat er zelfs bij de schijnbaar wanhopigste positien, nog dikwijls eene gelegenheid is, om als zij goed waargenomen wordt, de kans te doen keeren.
A. speelt 30 op 35. – B. slaat van 37 tot 15. – A. speelt 34 op 38. – B. slaat van 44 op 33. – A. speelt 23 op 27. – B. moet met zijn dam van 48 drie slaan tot op 23. – Hier vertoont zich eene positie, die men bijna voor onmogelijk zoude houden, namelijk een witte schijf tusschen vier zwarten ingesloten! (zie dia 34a-JdeR) – A. slaat nu van 27 tot 47 twee schijven en haalt dam. – B. slaat van 20, en waar hij zich ook plaatst, heeft A. met de volgende beurt, al zijn vier dammen, en wint de partij.
1. 25-20 12x40 2. 19-13 09x18 3. 28-22 03x28 4. 22x02 35x13 5. 02x36
   
1826 01 No. 35
A. heeft zeven schijven, op 4, 9, 13, 15, 29, 33 en 34.
B. heeft zes schijven, op 22, 23, 32, 41, 47 en 49; en een dam op 8.

Deze is eenvoudig, docht de uitkomst leerzaam. A. speelt 34 op 39. – B. slaat twee schijven van 44 op 24. – A. speelt 33 op 38. – B. moet met zijn dam slaan van 8 op 17. – A. speelt 4 of[4] 8. – B. slaat met zijn dam op 4. A. speelt 15 op 19. – B. is genoodzaakt met zijn dam twee schijven te slaan tot op 43. – Nu slaat A van 19 vier schijven en een dam, tot 48, en wint de partij.
1. 19-14 09x29 2. 18-13 43x32 3. 49-43 32x49 4. 40-34 49x08 5. 34x03
[4] Zetfout
   
1826 01 No. 36
A. heeft acht schijven, op 7, 14, 23, 28, 30, 32, 37, 35 en 37.
B. heeft zes schijven, op 6, 31, 40, 44, 46, 47; en twee dammen, op 22 en 48.

Deze is niet minder leerzaam dan de voorgaande, maar de zamenstelling minder gemakkelijk te vinden. A. speelt 32 op 36. – B. moet met zijn dam van 48 vier slaan tot 33. – A. speelt 23 op 27. – B. slaat naar verkiezing 40 op 19 of 31 op 42. – A. slaat van 27 twee stukken tot 49, en heeft dam. – B. slaat nog eens. – A. slaat van 49 een dam en twee schijven, en het spel is voor hem uit.
1. 17-11 03x18 2. 28-22 15x24 3. 22x04 16x07 4. 04x15
   
1826 01 No. 37
A. heeft twaalf schijven, op 2, 3, 5, 12, 15, 16, 17, 20, 21, 22, 23 en 27.
B. heeft mede twaalf schijven, op 24, 25, 29, 30, 31, 34, 36, 37, 38, 39, 43 en 47; en twee dammen, op 32 en 41.

A. speelt 21 op 26. – B. slaat met zijn dam op 21. – A. speelt 27 op 32. – B. slaat van 36 twee schijven tot 18. – A. speelt 22 op 27. – B. slaat met zijn dam van 41 op 23. – A. slaat van 17 twee stukken tot 19. – B. slaat van 25 op 14. – A. speelt 16 op 22 – B. slaat op 7. – A. slaat van 2 een dam en vijf schijven tot 42. – B. slaat van 47 tot 36. – A. speelt 15 op 19. – B. slaat van 14 op 25. – A. slaat van 20 drie schijven en neemt op 47, en wint.
1. 26-21 17x26 2. 22-17 11x33 3. 27-22 06x28 4. 32x34 30x39 5. 31-27 26x42 6. 47x07 02x11 7. 40-34 39x30 8. 35x02
   
1826 01 No. 38
A. heeft acht schijven, op 10, 12, 22, 23, 27, 28, 30 en 38
B. heeft zeven schijven, op 20, 21, 31, 42, 44, 47 en 49, en een dam op 41.

A. speelt 10 op 15. – B. slaat van 44 twee schijven tot 24. – A. speelt 22 op 26. – B. slaat met 31 twee op 33. – A. speelt 15 op 19. – B. slaat met zijn dam van 41 twee schijven tot 25. – A. slaat van 30 een dam en drie schijven tot 46, heeft dam en wint.
1. 45-40 09x29 2. 27-21 16x18 3. 40-34 06x30 4. 25x01
   
1826 01 No. 39
A. heeft negen schijven, op 3, 4, 9, 17, 18, 20, 22, 26 en 39.
B. heeft acht schijven, op 14, 32, 37, 40, 41, 42, 43 en 48; en een dam op 21.

A. speelt 4 op 8. – B. slaat van 14 twee tot 12. – A. speelt 22 op 27. – B. slaat 32 op 23. – A. speelt 9 op 14. – B. speelt 3 op 7. – B. slaat van 12 op 3, en haalt nog een dam. – A. speelt 14 op 18. – B. is genoodzaakt met zijn dam 3 twee te slaan tot 44. – A. slaat op zijn beurt van 18 drie schijven en twee dammen tot 49; en houdt partij ingesloten.
1. 49-43 39x37 2. 27-22 17x28 3. 44-39 26x17 4. 48-42 37x48 5. 39-33 48x09 6. 33x04
   
1826 01 No. 40
A. heeft elf schijven, op 1, 4, 11, 12, 13, 16, 17, 18, 23, 25 en 28
B. heeft tien schijven, op 21, 26, 32, 34, 35, 36, 37, 39, 40 en 43; en een dam op 10.

A. speelt 4 op 8. – B. slaat van 10 op 33. – A. speelt 23 op 28. – B. slaat van 34 drie schijven tot 3. – A. speelt 25 op 29. – B. slaat 35 op 24. – A. speelt 13 op 18. – B. slaat van 24 twee schijven tot 22. – A. slaat van 16 drie stukken tot 47. – B. moet met zijn dam van 3 slaan tot 16. – Nu slaat A. van 11 een dam en drie schijven tot 33, en heeft gewonnen.
1. 49-43 45x18 2. 28-23 19x48 3. 30-24 20x29 4. 38-33 29x27 5. 31x02 48x31 6. 36x18
   
1826 01 No. 41
A. heeft acht schijven, op 2, 3, 13, 16, 18, 22, 26 en 29.
B. heeft ook acht schijven, op 11, 24, 31, 36, 37, 42, 45 en 48.

A. speelt 18 op 23. – B. slaat 24 op 35. – A. speelt 22 op 27. – B. slaat met 31 of met 11 twee schijven tot 33. – A. speelt 3 op 7. – B. slaat nog eens. – A. speelt 23 op 28. – B. slaat van 33 op 24. – A. speelt 13 op 17. – B. slaat 22 op 13. – Nu slaat A. van 7 vier schijven tot 49, heeft dam, en houdt B. vast.
1. 33-28 29x20 2. 27-22 16x18 3. 48-42 36x27 4. 28-23 18x29 5. 38-32 27x38 6. 42x04
   
1826 01 No. 42
A. heeft zes schijven, op 23, 27, 32, 33, 36 en 41.
B. heeft vier schijven, op 16, 34, 46 en 47; en zes dammen, op 7, 8, 9, 19, 29 en 39.

Deze zal wel uitgevonden zijn, zeggen misschien de liefhebbers, zij kan op het bord niet voorkomen! Men heeft gelijk; de positie is zoo onnatuurlijk als zij kan wezen; wij bieden haar ook niet anders aan, maar de uitkomst is desniettegenstaande even opmerkelijk als zonderling.
A. speelt 33 op 38. – B. slaat 34 op 43. – A. speelt 36 op 24. – B. slaat van 46 twee schijven tot 26. – A. speelt 27 op 32. – B. slaat met zijn dam van 9 twee schijven tot 36. – Nu slaat A. met een slangetje, zes dammen en twee schijven tot 45, en blijft overwinnaar.
1. 18-13 19x08 2. 11-07 01x21 3. 22-17 44x11 4. 06x10
   
1826 01 No. 43
A. heeft negen schijven, op 7, 9, 10, 11, 13, 16, 17 ,32 en 37.
B. heeft tien schijven, op 18, 20, 24, 30, 34, 35, 42, 45, 46 en 48.

A. speelt 17 op 23. – B. slaat met 18 twee schijven op 36. – A. speelt 7 op12. – B. slaat 42 op 33. – A. speelt 13 op 18. – B. slaat 24 op 13. – A. speelt 12 op 17. – B. slaat 13 op 22. – A. slaat nu van 16 vijf schijven tot 49 en haalt dam.
1. 32-28 33x11 2. 42-37 07x18 3. 38-33 29x38 4. 37-32 38x27 5. 31x04
   
1826 01 No. 44
A. heeft negen schijven, op 2, 3, 14, 23, 24, 26, 29, 35 en 38.
B. heeft zeven schijven, op 12, 32, 37, 42, 45, 48, 49, en een dam op 21.

A. speelt 23 op 27. – B. slaat 32 op 23. – A. speelt 14 op 19. – B. slaat 21 op 32. – A. speelt 3 op 7. – b. slaat 12 op 3 en haalt dam. – A. speelt 24 op 28. – B. moet met zijn dam van 3 vier schijven slaan tot 24, waar hij stuit. – Nu slaat A. van 29 twee dammen en twee schijven tot 47 waar hij dam heeft, en het spel is voor hem, als hij enigszins oplet, zeker gewonnen.
1. 28-22 17x28 2. 39-34 26x17 3. 48-42 37x48 4. 29-23 48x29 Turkse slag 5. 24x02
   
1826 01 No. 45
A. heeft tien schijven, op 5, 12, 14, 16, 19, 22, 23, 26, 28 en 31.
B. heeft mede tien schijven, op 10, 15, 34, 35, 39, 42, 43, 45, 46 en 47.

A. speelt 31 op 36. – B. moet met 15 twee schijven slaan tot 33. – A. speelt 22 op 27. – B. is weder genoodzaakt drie schijven te nemen van 42 tot 11. – Nu slaat A. van 27 vier schijven tot 49, waar hij dam haalt, en de partij is voor hem op de positie uit, doch hij moet 12 afgeven.
1. 16-11 40x18 2. 28-22 07x16 3. 22x04
   
1826 01 No. 46
A. heeft dertien schijven, op 2, 3, 6, 8, 10, 17, 18, 19, 22, 24, 26, 29 en 30.
B. heeft tien schijven, op 11, 33, 37, 38, 40, 43, 44, 45, 49 en 50; en twee dammen, op 15 en 31.

A. speelt 26 op 32. – B. slaat 37 op 26. – A. speelt 19 op 25. – B. slaat met zijn dam van 15 drie schijven tot 1. – A. speelt 3 op 7. – B. slaat 26 op 17. – A. speelt 7 op 12. – B. slaat 17 op 6. – A. speelt
30 op 35. – B. slaat met zijn dam op 4. – A. speelt 10 op 15. – B. slaat van 4 op 20. – A. speelt 25 op 30. – B. slaat van 20 op 34. – A. speelt 35 op 39. – B. slaat van 44 op 35. – Nu slaat A. van 30 een dam en drie schijven tot 48, heeft zelf dam en wint de partij; want B. 38 wordt door A. 18 vastgehouden, en de andere schijven van B, waarover hij beschikken kan, zijn door den dam van A. ingesloten.
1. 21-17 12x21 2. 34-30 40x46 3. 48-42 21x32 4. 42-37 32x41 5. 25-20 16x49 6. 45-40 49x35 7. 30-25 35x19 8. 20-14 09x20 9. 25x03
   
1826 01 1826 47aNo. 47 No. 47a
A. heeft tien schijven, op 3, 5, 7, 8, 10, 14, 16, 18, 43 en 45.
B. heeft acht schijven, op 6, 17, 20, 25, 27, 29, 32 en 44; en twee dammen, op 1 en 26.

A. speelt 16 op 22. – B. slaat 27 op 16. – A. speelt 18 op 23. – B. slaat 17 op 28. – A. speelt 43 op 48 en neemt dam. – B. slaat van 26 op 4. – A. slaat van 48 tot 12 vijf schijven, namelijk 44, 29, 28, 32 en 16. - B. slaat 6 tot 17. – A. speelt 14 op 19. – B. slaat 25 op 14. – A. speelt 10 op 15. – B. slaat 20 op 9. – A. speelt 7 op 13. – B. slaat 17 op 8. – A. speelt 45 op 50, haalt dam, en heeft zijn partij in beide positien vastgezet.
1. 31-27 22x31 2. 33-28 32x23 3. 08-03 21x49 4. 03x37 41x32 5. 39-34 30x39 6. 45-40 35x44 7. 42-38 32x43 8. 10-05 (zie dia 47a-JdeR).
   
1826 01 No. 48
A. heeft acht schijven, op 3, 5, 6, 12, 13, 16, 18 en 32.
B. heeft negen schijven, op 15, 19, 28, 29, 33, 37, 38, 43 en 48.

A. speelt 18 op 23. – B. slaat twee schijven van 28 op 8. – A. slaat drie schijven van 3 tot 34. – B. slaat van 38 op 29 of van 37 op 26. – A. speelt 6 op 11. – B. slaat nog eens. – A. speelt 5 op 9. – B. slaat 15 op 4. – A. speelt 12 op 17. – B. slaat met zijn dam op 22. – Nu slaat A. van 16 een dam en twee schijven tot 47, waar hij dam haalt; en het spel is voor hem gewonnen, wanneer hij 29 tot 13 vervolgt.
1. 33-28 23x43 2. 48x19 13x24 3. 41-36 12x21 4. 50-44 40x49 5. 37-32 49x27 6. 31x02
   
1826 01 No. 49
A. heeft negen schijven, op 3, 5, 9, 13, 18, 20, 23, 34 en 38.
B. heeft acht schijven, op 26, 27, 30, 32, 36, 37, 46 en 49; en een dam op 47.

A. speelt 20 op 25. – B. slaat 30 op 19. – A. speelt 38 op 44. – B. moet met zijn dam van 47 vier schijven slaan tot 28, waar hij stuit. – A. speelt 18 op 24. – B. slaat 49 op 38. - A. slaat van 24 een dam en vijf schijven tot 44, en wint de partij, als hij wel oplet.
1. 35-30 25x34 2. 13-09 02x23 3. 33-29 04x13 4. 29x09
   
1826 01 No. 50
A. heeft negen schijven, op 3, 6, 10, 14, 17, 19, 24, 33 en 38.
B. heeft acht schijven, op 12, 15, 26, 32, 35, 45, 47 en 48; en een dam op 30.

A. speelt 33 op 37. – B. slaat van 32 twee schijven tot 34. – A. speelt 24 op 28. – B. slaat met 15 twee op 33. – A. speelt 3 op 7. – B. is genoodzaakt met zijn dam twee schijven te slaan tot 22. – Nu maakt A. van 7 een zesslag tot 49, en de partij is uit.
1. 18-12 17x19 2. 29-23 40x18 3. 48-42 25x27 4. 42x04
   
1826 geennummer * Ongenummerd
A. heeft elf schijven, op 1, 7, 10, 12, 17, 20, 21, 22, 27, 28 en 30
* Wij hebben deze zet, welke zonder twijfel aan ieder een genoegen zal geven, met verscheidene anderen te danken aan de vriendschappelijke toezending van een ‘achtingswaardig’ vriend, die zich als een geoefend liefhebber van het damspel bij ons heeft bekend gemaakt, en wien wij hiermede openlijk onze welgemeende erkentenis betuigen, voor het geen hij tot verfraaijing van onze verzameling heeft toegebragt. Wij zullen de zetten, welke wij verder van zijne hand plaatsen, altoos met een * merken, ten einde dezelve van de overigen te onderscheiden.
B. heeft acht schijven, op 11, 14, 19, 29, 31, 36, 37 en 39; en zes dammen, op 3, 4, 5, 8, 35 en 38.

A. speelt 28 op 33. – B. slaat 37 op 28. – A. speelt 20 op 25. – B. slaat 29 op 20. – A. speelt 21 op 26. – B. slaat met zijn dam van 35 op2. - A. speelt 27 op 32. – B. slaat van 36 op 7, drie schijven. – A. 30 op 35. – B. is genoodzaakt van 31 twee schijven te slaan tot 13. – A. slaat nu van 35 een dam en drie schijven tot 15. – B. slaat van 20 op 9. – A. speelt 1 op 6, en houdt met twee schijven vijf dammen en vijf schijven van zijn partij opgesloten.
1. 23-18 12x23 2. 35-30 24x35 3. 26-21 20x47 4. 22-17 11x42 5. 25-20 16x38 6. 20x40 35x44 7. 46-41