VIERDE HOOFDSTUK
Beredeneerde proeve van een geheel spel, waarin aangetoond wordt, dat hetzelve, naar de vorenstaande grondregels gespeeld, remise eindigt. »39.
Wij geven aan A wederom de twintig schijven van N°. 1 tot 20, en aan B die van 31 tot 50.
A. 18 op 23.
A, het spel beginnende, speelt, als zijne beste schijf, met 18 op 23. De eden daarvan, welke wij in ons voorgaande hoofdstuk beloofd hebben, hier te melden, is, dat die schijf, komende uit het midden, terstond zich wederom meester maakt van het midden der ruiten, tusschen 21 en 25, en dus de kracht van het spel bewaard, tevens het voordeel bekomende, van regts en links te kunnen werken.
B. 33 op 28.
B speelt 33 op 28, en niet, gelijk velen doen, met 32 op 27. Wij hebben reeds gezegd, dat een spel van gelijke krachten op remise gemaakt is, en dat men daarom niet het eerste offensif, dat is, aanvallenderwijze spelen moet, zoo lang er geene reden of noodzakelijkheid toe is. Nogtans doet B dit, wanneer hij, 32 op 27 spelende, 23 van A aanvalt. Beter speelt hij derhalve, als hij 33 op 28 plaatst. Vooreerst geraakt hij als eene middenschijf, in navolging van A, wederom op de middenruit, tusschen 26 en 30. Ten andere, beneemt hij voor als nu ten volle de kracht en wering van 23 van A, die aan de regterzijde zijn marsch benomen is, en aan de linkerzijde niet spelen
[blz.39]
kan, zonder verloren te gaan. Ten derde, staat het spel van beide de partijen daardoor gelijk, dat is, op remise.
A. 14 op 18.
A bevindende, dat B mede naar den regel gespeeld heeft, kan nu niet beter doen, dan zijne schijf 23, door middel van 14 op 18 te schuiven, te dekken.
B. 37 op 33.
B in navolging oordeelende, zijne schijf 28 te moeten verstreken, speelt daarom 37 op 33.
A. 9 op 14.
A dekt nu 18, door middel van 9 op 14 te spelen. Bereids heeft A met zijne drie eerste schuiven zich in staat gesteld, om met zijne eerst gespeelde schijf, thans op 23, eene werking te kunnen doen.
B. 42 op 37
B bereikt dit zelfde vermogen, door middel van 42 op 37 te schuiven.
A. 5 op 9.
A gaat nu voort, met zijnen gelegden grondslag te versterken en speelt op 9, doch zulks doet hij met 5, en niet in navolging van velen met 4. Dit laatste keur ik zeer af, en zal eenige redenen daarvan kort hierna laten volgen; ook heeft mij de ondervinding de nadeelige gevolgen daarvan bij vele gelegenheden van het spel doen waarnemen.
B. 46 op 42
B. mede zijn grondslag nog meerder kracht willende bijzetten, spelt alleen, en schuift 46 op 42.
A. 16 op 22
A speelt 16 op 22, en niet op 21, om redenen, die wij in het laatste gedeelte van ons voorgaande hoofdstuk vermeld hebben. Men zou mogelijk in het begrip kunnen vallen, dat A nu behoort had 18 op 24
[blz.40]
te schuiven, om de marsch van 28 van B af te snijden en te verhinderen; doch dit heb ik nooit goed gevonden, naardien A bij goede spelers zijne positie niet zou kunnen houden, zonder tot zijn eigen nadeel te moorden, of liever, omdat zulks alvorens de zaak van B zou zijn tot het bewerken van dat nadeel aan A. Dit alles door middel van al de verschillende schuiven, die gespeeld en weder gespeeld kunnen worden, in deszelfs gevolgen bloot te leggen, is eene schakel, te uitgebreid, om beschreven te worden. Genoeg, dat de ondervinding het tot eene reden en waarschuwing doet zijn.
B. 32 op 26.
B, zijn regel van verdediging wederom volgende, speelt 32 op 26, om 22 van A voor als nu zijne werking te benemen.
A. 12 op 16.
A, zijne ongedekte schijf 22 zoekende te ondersteunen, speelt 12 op 16.
B. 26 op 21.
B speelt 26 op 21. Deed hij zulks niet, A zou gewis 16 op 21 schuiven, waardoor hij met die schijf, eerst van 12 gekomen, twee schuiven met eene schijf zou verrigten, en dus de volle werking van eene schijf, die in regts en links te kunnen spelen bestaat, bereiken, naardien twee schuiven met eene schijf gelijk staat met het vermogen van eene schijf, van regts en links te kunnen spelen. Dit niet alleen. Liet B de gelegenheid aan A, om 16 op 21 te schuiven, en deed A zulks, alsdan zou B, wilde hij geene gevaarlijke positie krijgen, met 36 moeten moorden, waardoor hem 26 zou ontnomen worden, die tot nu toe maar eene schuif, en dus de helft van zijne werking verrigt
[blz.41]
heeft. Ziedaar de reden, dat B voor de eerste maal met eene zalfde schijf tweemaal tot zijne verdediging speelt.
A. 6 op 12.
A, om 16 te dekken, speelt 6 op 12.
B. 35 op 29
B, tot nu toe verdedigenderwijze gespeeld hebbende, om zijne schijven telkens tegen die van A te dekken en te versterken, geraakt nu voor het eerst buiten die gelegenheid, en komt daarentegen in het geval, van aanvallenderwijze te spelen. Van waar ontstaat dit? Omdat hij het voordeel gehad heeft, van met eene schijf, namelijk 32, tweemaal gespeeld te hebben, waardoor die schijf zijne volkomene werking, tot zoo ver als het spel nu staat, verrigt heeft. Deze werking van eene schijf tot nu toe aan geene der schijven van A gebeurt zijnde, zoo is zulks de reden, dat B het evenwigt van het spel daardoor hersteld, en de beurt van aan te vallen aan zijne zijde brengt. Is het nu geen groot voordeel voor B, dat hij niet alleen tegen A, die uit kracht van het eerst gespeeld te hebben, aanvallenderwijze gespeeld heeft, zich zoodanig verdedigd heeft, dat A hem geen nadeel heeft weten toe te brengen, maar dat hij bovendien nu de magt bekomt, om aanvallenderwijze te kunnen spelen, en A te dwingen, zich tegen hem te moeten verdedigen. Ondanks dit bekomen voorregt van B zou men kunnen denken, dat A, alvorens B met 35 op 29 speelt, beter spel als B heeft, naardien A met vijf schijven, als 1, 8, 18, 19 en 20, behalve nog van met 22 te kunnen moorden, spelen kan, daarentegen B, zoo hij niet verliezen wil, niets anders spelen kan als met 35 en 36. Niettemin lijdt B hier geen nadeel door, en speelt, in plaats van 36 op 32 zonder oor-
[blz.42]
zaak, met 35 op 29, om A, zoo hij naar regels spelen zal, te dwingen 19 op 25 te spelen.
A. 19 op 25.
A, niet nutteloos willende moorden, volgt de regel van het spel en speelt daarom 19 op 25
B. 39 op 35.
B, zijne schijf 29 willende dekken, speelt met 39 op 35.
A. 25 op 30.
A speelt nu met 25 op 30, waardoor hij die schijf mede tweemaal werken laat, en dus hetzelfde doet, hetgeen B gedaan heeft, gelijk aangetoond is, toe hij met 26 op 21 speelde.
B. 45 op 39.
B, de regel van A volgende, toen deze 6 op 12 speelde, speelt 45 op 39.
Ziet nu wederom, hoe dit spel in eenen wederzijdsche stand voor beide de spelers gelijk, en dus op remise staat. Beide hebben de voordeelen, dien zij in den beginnen van het spel hadden, weten te bewaren, en had A, door middel van de eerste schuif te doen, den eersten aanval, wij hebben ook gezien, hoe die op B, door zijn goed beleid, is overgegaan. Thans, daar wederom het spel volkomen gelijk staat, als in den aanvang, is die beurt van den aanval ook wederom op a gekomen.
A. 22 op 27.
A zou nu met 2 op 6 kunnen spelen, doch dan sloot hij 1 op, en verhinderde die schijf zijne werking te doen, hoewel voor als nu zulks nog niet vereischt wordt. Aan den anderen kant, wanneer B in het vervolg, op zijne beurt, het mogt noodig oordeelen, om met zijne schijf 29 tegen 18 van A te moorden, alsdan
[blz.43]
zou A, gelijk men zien kan, met zijne schijf 13 niet kunnen moorden, wanneer zulks hem mogt te pas komen. Hier openbaart zich nu tevens de reden, van hetgeen ik kort te voren gezegd heb; namelijk, dat A zijne schijf 9 niet met 4, maar met 5 moest dekken; want had A 9 met 4 gedekt, dan zou hij, wanneer B alvorens met 29 tegen 18 van A gemoord had, evenmin met 13 kunnen moorden, als dat hij nu 2 op 6 schoof.
Wat aangaat de schijf 1, deze behoort A ook niet te spelen, om B geene gelegenheid te geven tot het maken van een ontwerp, om met 21 dam op 1 te worden. Er blijft dan geene andere keuze voor A over, dan te spelen, of met 15 op 19, of met 22 op 27. Op 18 met 15 te spelen keur ik niet goed, dewijl B met 29 op 24 zou kunnen schuiven, en door dit middel van te moorden, de schijf 10 van A van zijne plaats zou kunnen krijgen. Dit zou voor A niet anders zijn, dan het steunpunt van de regtervleugel van zijn spel te verzwakken, dewijl hij, geene schijf op 5 hebbende, alsdan zijne ongedekte ruit 10 niet zou kunnen dekken. Deze proeve zal zulks nader bevestigen, als wij bij het einde van het spel zien zullen, dat A, ook door middel van zijne schijf 10, de remise van hetzelve volbrengt. Hij bepaalt zich derhalve, om 22 op 27 te spelen, te meer, naardien hij dit moorden, hetzij nu of dan, niet nalaten kan, wil hij anderszins zijn spel niet verwaarloozen.
B slaat met 33 op 22
A slaat wederom met 16 op 27
B. 37 op 32
Tot nu hebben wij gezien, hoe B in alles A veiliglijk heeft kunnen naspelen, en hij ook zulks, zonder zich te benadeelen, gedaan heeft; doch hier stuit dit.
[blz.44]
Wilde B nu, met 29 tegen 18 te spelen, hierin A navolgen, zoo zou hij door deze navolging, ingeval A naar regel bleef spelen, en B al voortgaande zulks ook deed, eene schijf verliezen; 36 op 32 spelende, zou hij door dit moorden zich evenmin in staat stellen, om zijne ongedekte ruit 41, naardien hij geene schijf op 46 heeft, te kunnen dekken, als waarin A zich zou gesteld hebben, zijne 10 te kunnen dekken, wanneer hij, gelijk wij aangetoond hebben, 15 op 19 gespeeld had, en B daarop met 29 afgegeven had. Zal B dan met 49 op 45 spelen? Doch zoowel als wij, om reden, in A het afgekeurd hebben van te spelen met 2 op 6, zoowel zouden wij het, om diezelfde reden, in B moeten afkeuren, zoo hij met 49 op 45 speelde. Wat dan? Daar A met 27 op den aanval staat, dat is, dat hij ter wederzijde eene ongedekte ruit vindt, kan B niet beter doen, naar de aangewezene gronden spelende, dan die schijf, door middel van 37 op 32 te spelen, niet zijn volle werking te laten.
A. 11 op 16.
A, om niet nutteloos te moorden, of te spelen, hetgeen reeds aangetoond is, niet goed te zijn, kan niet beter spelen, dan met 11 op 16, met oogmerk, om zijne schijf 27, de eenigste, dien hij ongedekt heeft, te versterken.
B. 32 op 26.
B speelt hierop 32 op 26; reden genoeg, dat hij A bepaalt, wat hij spelen moet.
A. 16 op 22.
A, door B daartoe bepaalt zijnde, speelt 16 op 22.
B. 43 op 37.
B, daar hij niet verkiest buiten noodzakelijkheid met 29 te moorden, kan nu niet beter spelen, dan met
[blz.45]
43 op 37. Immers, speelde hij met 42 op 37, alsdan geraakt A in de gelegenheid, om, door middel van met 18 te moorden, het spel van B als in zijn bedwang te krijgen, vermits hij A, met 14 op 25 komende door drie van zijne schijven, voor als nu zes schijven van B zou vast en werkeloos houden.
A. 18 op 24.
A overwegende, dat hij na verloop van nog vijf schuiven, dien hij met 1 en 2 zou kunnen doen, genoodzaakt zou zijn te moorden, verkiest eerder zulks nu te doen, met 18 op 24 te spelen, omdat hij B, ofschoon die twee schijven daartoe gebruiken kan, daarmede noodzaakt, dit bepaaldelijk met 29 te doen, dewijl B, met 28 slaande, zich bloot zou stellen, in het voorgemeld nadeel te geraken, van zes zijner schijven voor als nu door drie van A besloten te zien.
B. 29 op 18.
B, dit alles in het oog hebbende, slaat met 29 op 18.
A. 13 op 33.
A slaat met 13 twee schijven van B tot op 33.
B. slaat met 37 op 28
A. 7 op 13.
A bemerkende, dat B met drie zijner schijven, 21, 26 en 31, niets verrigten kan, begrijpt, dat de toeleg van B zal zijn, om, volgens beurt, 42 op 32 te brengen, met oogmerk, om alsdan, in vergelding van het bedwang, waarin A, die zes schijven van B 21, 26, 31, 32, 36 en 41, voor als nu zou kunnen houden, door middel van die zes schijven ook zes schijven van A, 1, 12, 17, 22, 23 en 27, werkeloos te zetten. In dit vooruitzigt ontdekt zich nu het geheim en eene nadere reden, van hetgeen wij in A afgekeurd zouden hebben, zoo hij 2 op 6 gespeeld had; want dan zouden er, in de onder-
[blz.46]
stelling, dat B met 42 op 32 zal geraken, niet zes schijven tegen zes schijven wederzijds in bedwang staan, maar B zou de zes zijner gemelde zeven schijven van A belemmeren. A, uit kracht van dit vooruitzigt, nagelaten hebbende 2 op 6 te spelen, speelt nu, even om dezelfde reden, 7 op 13.
B. 42 op 37.
B, zonder zich te bekrunen, of A zijn inzigt gevat heeft, dan niet, speelt zijne beste schijf, namelijk 42 op 37.
A. 2 op 7
A, om zijne twee schijven, 12 en 13, die hol staan, te dekken en te ondersteunen, speelt 2 op 7.
B. 37 op 32.
B bereikt zijn oogwit en plaats 37 op 32. Ziet hij met deze schuif zes zijner schijven voor als nu in bedwang van A, hij beknelt ook daarentegen voor als nu van A zes schijven.
A. 1 op 6.
A speelt 1 op 6, om daarmede te verhouden, ingeval er een aanval van eenen slag bij B voorviel, of zou kunnen voorvallen, dat hij dan geene schijf door eenen tweeslag van 26 zou kunnen verliezen.
B. 35 op 29.
B de reden begrepen hebbende, waarmede A met 1 op 6 gespeeld heeft, en wijders inziende, dat A niet anders spelen kan, dan om de regtervleugel van zijn spel te versterken, spleet met 35 op 29, om zich in postuur te stellen, zoo er van dien kant door A iets mogt ondernomen worden.
A. 15 op 19.
A, de ware regel van het spel volgende, speelt met 15 op 19, om daardoor de vrije marsch af te snijden
[blz.47]
van 28 van B, en zich tegen 29 van B te versterken; ook om te kunnen moorden, zoo het vereischt werd. B. 47 op 43.
B, hoewel in de gelegenheid zijnde met 39 op 35 te kunnen moorden, moet zulks nog niet doen, zoo hij geen waarschijnlijk gevaar wil loopen van eene schijf te verliezen. Hij behoort daarmede te wachten, tot wanneer hij de gelegenheid heeft bekomen, van 47 op 33 te kunnen brengen. Met dit inzigt speelt hij 47 op 43.
A. 6 op 11.
A, in het begrip, dat B zijn spel op 33 zoekt te versterken, speelt daarom 6 op 11, om vervolgens op 16 te komen.
B. 43 op 37.
B, zijn oogmerk vervolgende, speelt 43 op 37.
A. 11 op 16.
A volvoert zijn ontwerp en speelt 11 op 16.
B. 37 op 33.
B, door 37 op 33 te spelen, bereikt mede zijn oogmerk.
A. 19 op 25.
A, om te beletten, dat B voor als nu geen attaque met 29 zal uitvoeren, speelt met 19 op 25.
B. 39 op 35.
B oordelende, dat zijn N°. 48 niet buiten werking zal kunnen blijven, en dat hij na het spelen derzelve met 39 op 35 niet zou kunnen moorden, zoo het vereischt werd; ook inziende, dat A zijn 13 op 7 in werking zal willen brengen, waarom hij zijn 49 niet op 45 spelen, maar daarmede wachten wil, tot zoo lang hij die op 44 spelen kan, even gelijk hij gezien heeft, dat A zijn 2 niet op 6, maar op 7 gebragt heeft, be-
[blz.48]
sluit om dit alles, de gelegenheid tot het afgeven van 39 niet te laten verloren gaan, maar speelt ten dien einde dezelve op 35.
A. slaat met 30 op 39.
B slaat wederom met 44 op 35.
A. 13 op 18.
A, om B niet te noodzaken te moorden, door middel van 25 op 30 te schuiven, en ook zich zelve, met dit na te laten, niet benadeelende, speelt 13 op 18.
B. 49 op 44.
B volvoert zijn oogmerk en speelt 49 op 44.
A. 7 op 13.
A, om zijne schijf 18 te versterken, speelt 7 op 13.
B. 35 op 30.
B, de toestand van zijn spel overwegende, en ziende, dat hij tot behoud van hetzelve verpligt zal zijn, het eerst te moeten moorden, zoekt daarom zulks nu te doen, door 35 op 30 te spelen.
A. 9 op 15.
A vindt zich van zijnen kant gehouden, om aan het inzigt van B te beantwoorden, en speelt 9 op 15.
B slaat met 30 op 19
A slaat met 15 twee op 35.
B slaat met 40 op 29.
A 4 op 9
A ziende, dat B wel een aanval kan doen en een slag volvoeren, doch niet anders, dan met gelijke kans voor hem (A), bekreunt zich dus niet, en speelt met 4 op 9.
B. 50 op 45.
B, het moorden willende vertragen, zoo lang hij ziet met zijnen aanval geen voordeel op A te bekomen, of zelve door het uitstel daarvan voor als nu geen na-
[blz.49]
deel te lijden, speelt met 50 op 45, om zijne andere schijven meer kracht te doen toekomen.
A. 9 op 15.
A, mede om zijne schijven 10 en 20 te versterken, speelt met 9 op 15.
B. 45 op 40
B. vervolgt zijn voorgaande oogmerk en speelt 45 op 40.
Alvorens ik nu A laat spelen, zij het mij vergund, eene kleine opschorting in het spel te maken. Wij zien het spel thans tot die hoogte gebragt, dat het reeds de zestigste zet van het spel zal zijn, wanneer B terstond den aanval zal doen, waarmede hij de we wijst, om hetzelve remise te dien eindigen. Niet meer dan zes schijven van elk zien wij het spel tot nu toe, hoe ver ook gevorderd, verminderd, ten bewijze, hoe eigenaardig het aan het spel is, dat zij, die naar de grondregels hetzelve weten te besturen, niet dan spaarzaam, en wanneer het vereischt wordt, moorden; ook dat zij wederzijds eene gesloten positie, het geheele beloop van het spel door, weten te bewaren, zonder bij het einde eenig voordeel daarmede te verzuimen, of nadeel te ondergaan. Heeft B de aanval, nu te doen, al vroeger op A kunnen beginnen, gelijk men in het spel kan waargenomen hebben, hij berekende ook, dat er van zijnen kant geene meerdere voordeelen door dezelve op het spel van A te behalen waren, als welke hij in staat was, door het uitstellen derzelve, te bewaren. Vertraagde hij dus met den aanval, het geschiede met een inzigt, om zoo A een misslag beging, met meerder voordeel dezelve te kunnen volvoeren; zoo niet, gelijk gebeurt is, hij wist zich staande te houden. A van zijnen kant heeft mede
[blz.50]
niets onbeproefds gelaten, om B te doen zien, dat hij bij eenen aanval gelijke voordeelen zich wist voor te behouden, dat hij niet schroomde, hem de gelegenheid daartoe te blijven vergunnen, en het niet noodig achtte, om door middel van meerder afgegeven of gemoord te hebben, het spel los te maken, te breken, en de eigenaardige ontwikkeling van hetzelve weg te nemen.
Wij vervolgen ons spel.
A 14. op 19.
A in overweging nemende, dat B in de noodzakelijkheid gebragt wordt, om een aanval te moeten doen, en tevens berekend hebbende, dat het spel in alle manieren remise eindigen moet, speelt ten dien einde 14 op 19. Wel is waar, dat A, zoo hij met 15 op 19 speelt, eene schijf bij den aanval van B wint, doch dit baat niet; het is voor een oogenblik, en het spel loopt even hetzelfde remise. Hebben wij dan eerder verkozen, hem met 14 op 19 te spelen, het is geschied, om het spel die juistheid en noodwendigheid remise te doen loopen, welke het best aan mijn oogmerk, om van den loop en kracht van eenen dam eene schets en aanwijzing te geven, beantwoordt.
B. 29 op 24.
B niet minder bemerkende, dat zijn spel zonder uitzigt van winst staat, en dat hij, met langer te wachten, nu niet tot zijn voordeel zou wachten, besluit daarom den aanval te doen, en speelt met 29 op 24.
A slaat met 18 een op 29.
B slaat met 34 twee op 14.
A slaat met 23 twee op 43.
B slaat, als zijn beste, met 32 een op 23.
A slaat met 17 twee op 37.
B slaat met 26 twee op 6.
[blz.51]
A slaat met 8 een op 19
B slaat mt 21 een op 12
A. 43 op 47.
A, niet wel anders, of liever niet beter kunnende, speelt met 43 op 47, alwaar die schijf dam wordt.
B. 36 op 32.
B is nu in de gelegenheid, om van drie verschillende schuiven een derzelve te kunnen en te mogen verkiezen; dat is, met 6 op 2 te spelen, o met 6 op 1 te spelen, of wel met 36 op 32 te spelen. In het eerste geval, zoo hij 6 op 2 gaat spelen, en die schijf dam laat worden, dan begrijpt hij, dat A 13 op 17 zou kunnen spelen, om vervolgens, na het slaan van B, met 37 op 42 te spelen, en dus te zoeken een tweede dam te halen. Wilde B dit alsdan aan A beletten, zoo zou B genoodzaakt zijn, om 44 op 38 te spelen, en daardoor zijne twee schijven, op 23 en 38 gekomen, te moeten missen. De remise van het spel alsdan te schielijk beslist zijnde, verkiest hij, die het niet behoeft, dezelve te zoeken, door op 2 geen dam te halen, verkiest hij ook niet; hij begrijpt, dat A dan met 3 op 7 zou spelen, en aan B daardoor een tweede dam geven, met oogmerk, wederom om 37 op 42 te spelen, en te zoeken ook een tweede dam te krijgen. B, wilde hij dit niet toelaten, of oordeelende, dat het geen vereischte van het damspel is, om met twee dammen tegen twee dammen te spelen, als hetzelfde oogmerk met eenen dam tegen eenen dam bereikt kan worden; B, zeg ik, wilde hij aan a niet toelaten, alsdan een tweede dam te halen, zou gehouden zijn, om met zijnen dam 3, door A hem gegeven, de schijf 19 van A te slaan tot op 25. A met zijne schijf 20
[blz.52]
deze dam van B moetende slaan, zoo zou B daarop 44 op 38 spelen. Hoewel B dan, na dit alles, eene schijf zich zou bevoordeeld hebben, zou hij nogtans zien, dat de gesteltnis van zijn spel ook niet anders, dan het remise voor hem zou medebrengen.
Tot dit een en ander daarom niet besluitende, behoudt hij geene andere gevoegelijke keus over, dan om 36 op 32 te spelen, gelijk hij ook doet, zoekende daarmede, of het hem gelukken mogt, twee dammen te bekomen, zonder A nogtans de gelegenheid te laten, van eenen tweeden dam met zijne schijf 37 te kunnen krijgen.
Wij hebben deze veronderstelling aan B toegevoegd, om door de volgende aanwijzing der manier, waarmede hij het spel remise doet eindigen, ons in de gelegenheid te stellen, om hen, die in het spelen met eenen dam nog niet ver gevorderd zijn, eene proeve en schets te geven van de kracht en werking eener dam, wanneer hij goed geleid en bestuurd wordt, tevens aantoonende, met welke redenen en uit welke inzigten men met dezelve spelen moet.
37 op 26.
Nadat B nu 36 op 32 gepeeld heeft, slaat A met 37 op 26.
B slaat weder met 31 op 22
A. 3 op 7.
A, het inzigt van B begrepen hebbende, om te zoeken twee dammen te bereiken, oordeelt, dat, zoo hij nu niet terstond op zijne hoede is, om het spel in een postuur tot remise te stellen, hij mogelijk kans zou kunnen loopen, hetzelve te verliezen. Om derhalve alle gevaar daartoe te voorkomen, speelt hij 3 op 7.
B. 12 op 3.
B slaat met 12 op 3, daar die schijf dam wordt.
47 op 31.
[blz.53]
A speelt nu met dam 47 op 31, om te voldoen aan het oogmerk, waarom hij 3 op 7 speelde.
B slaat met dam 3 op 30.
A. 31 op 1.
A slaat met dam 31 twee schijven van B, 22 en 6, tot op 1.
Het komt nu voor, dat B ten deele beter spel als A schijnt te hebben, dewijl hij de drie schijven van A, 10, 15 en 20, voor als nu met zijnen dam in bedwang houdt; doch wij zullen zien, hoe A door het goed beleid, waarmede hij zijn spel bestuurd, alle inzigten van B weet te verijdelen.
B. 30 op 14.
B zich de voordelige gesteltnis, waarin zijn spel zich thans bevindt, willende ten nutte maken, speelt als zijn beste met zijnen dam 30 op 14; niet alleen, om de drie gemelde schijven van A in bedwang, maar ook om de schijf 13 van A in zijnen gang regts af te verhinderen, en op de lijn tusschen 4 en 31 te bepalen.
A. 1 op 34.
A, dit inzigt van B bemerkende, vindt daarom niet goed met 13 op 17 te spelen, dewijl zijn dam 1 daardoor voor als nu zeer bepaald in zijne werking zou zijn. Speelt hij met zijnen dam 1 op 12, voornamelijk met oogmerk, om daarna zich op 3 te begeven, en langs dien weg te zoeken, zijne drie schijven in vrijheid te brengen, of anderszins met inzigt, om, vervolgens op 16 spelende, de schijf 44 van B in zijnen loop te bepalen, zoo ziet hij, dat B hem beide deze oogmerken zou kunnen verijdelen, door middel van met zijnen dam 14 op 3 te gaan. Derhalve speelt A met zijnen dam 1 op 34, om daarmede niet alleen te zoelen, de
[blz.54]
twee schijven van B, 44 en 48, in bedwang te houden, maar ook, om inmiddels de inzigten van B te leeren kennen; ja zelfs, zoo B nu op zijne beurt met 40 op 35 speelde, zou A, zich op 45 en vervolgens op 40 plaatsende, die schijf van B vermeesteren, of B, zoo hij dan op 30 speelde, zou en zijn dam en tevens het spel kwijt zijn.
B. 41 op 36.
B zijne schijf 41, die ongehinderd werken kan, willende spelen, speelt dezelve op 36.
A. 34 op 12.
A vindt nu niet beter voor hem te spelen, dan met zijne schijf 13 op 17, of met zijnen dam te spelen. Met 13 de schijf 36 van B tegen te gaan, is iets, hetgeen hij oordeelt ook bij volgende beurten te kunnen doen. Eerder verkiest hij dan te zoeken, met zijnen dam eene lijn te krijgen, waardoor hij zich een weg weet te banen, om zijne drie schijven, 10, 15 en 20, in vrijheid te brengen; hij speelt daarom zijn dam 34 op 12.
B. 14 op 3.
B, dit voornemen van A bespeurende, verijdelt hetzelve, door zijnen dam 14 op 3 te spelen, begrijpende, dat A zulks anderzijds bij de volgende beurt met zijnen dam 12 zou doen.
A. 12 op 23.
Wij hebben gezien, hoe A, toen hij met zijnen dam 1 op 34 speelde, alvorens in beraad stond, om met 1 op 12 te spelen, met oogmerk, om, vervolgens op 16 spelende, de schijf 44 van B in zijnen loop te bepalen; doch omdat hij zag, dat B hem in dit voornemen zou kunnen verhinderen, door middel van zijnen dam 14 op 3 te spelen, zoo zag A daarvan af, en speelde toen,
[blz.55]
gelijk gezien is, met 1 op 34. Nu is hij in hetzelfde geval, dewijl, hij op 12 staande, B met 14 op 3 gespeeld heeft. Niettemin zullen wij hem nu zien, de schijf 44 van B in zijnen loop bepalen. Van waar ontstaat dit? Daar vandaan, dat hij de tijd heeft willen afwachten, dat B met zijne schijf 41 op 36 zou gaan, om alsdan met zijnen dam eerst op 23, en vervolgens, om dat inzigt te bereiken, op 27 te spelen; hij speelt dan om die reden met 12 op 23.
B. 36 op 31.
B geene reden vindende, om zijne schijf 36 te verliezen, speelt met dezelve 90 31.
A. 23 op 27.
A bereikt nu zijn inzigt, van de schijf 44 van B in zijnen loop te bepalen, en speelt derhalve met 23 op 27.
B. 44 op 39.
B weder niet genoodzaakt zijnde, zijne schijf 44 te verliezen, speelt dezelve op 39.
A. 27 op 23.
A blijft de voorgaande schijf vervolgen, en speelt met zijnen dam 27 op 23.
B. 39 op 35.
B, evenmin als te voren zijne schijf 39 behoevende te missen, speelt dezelve op 35.
A. 23 op 32.
A, daar hij tot nu toe door B in zijn oogmerk is te leur gesteld, van zijne drie schijven 10, 15 en 20 in vrijheid te brengen, laat niet af te zoeken, zulks te bereiken, of zich in staat te stellen, zoo hem dit bleef mislukken, om door middel van dezelve drie schijven de remise van zijn spel te bewerken; hij speelt derhalve zijnen dam 23 op 32, die, wat B ook spelen moge, blijken zal zijn beste trek te zijn.
[blz.56]
B. 35 op 29.
B voortgaande, om zoo lang mogelijk de gemelde drie schijven van A werkeloos te houden, en tevens de schijf 13 van A binnen den loop der lijn tusschen 4 en 31 te bepalen, speelt daarom met 35 op 29.
A. 32 op 5.
A geene gelegenheid meer vindende, om eene schijf van B te kunnen vervolgen, en daarbij overwegende, dat hij geen beter voordeel bereiken kan, dan het spel remise te brengen, vermits B met zijnen dam gestadig zijne drie schijven werkeloos houdt, speelt met zijnen dam 32 op 5.
B. 3 op 21.
B, wil hij nu oogenblikkelijk het spel niet remise zien, kan, om zulks voor als nu nog te keer te gaan, geene andere plaats vinden, dan met zijnen dam 3 op 21 te spelen. Reden: welke schijf hij ook van zijne drie schijven 31, 40 en 48, in plaats van zijnen dam, speelde, zoo zou A terstond, zijne twee schijven 20 en 15 tegen 29 van B afgeven, waardoor het spel kennelijk zou remise zijn. Speelde B met zijne schijf 29 op 24, dan zou A met zijnen dam 5 op 18 spelen, en die schijf meester worden, en ofschoon B in dat geval met zijnen dam 3 op 7 of 8 speelde, en daardoor de schijf 13 van A bekwam, zoo zou A, met het spelen van 15 op 19, althans gelegenheid vinden, om het spel remise te maken.
Begeeft B zich met zijnen dam op een der ruiten van 25 of 30, zoo zal hij mede zijn oogmerk tot het te keer gaan der remise verijdelt vinden; want A zal dan, door 15 op 19 te spelen, eerst zijne twee schijven 15 en 13 laten slaan, waarna hij, zijne twee schijven 20 en 10, de een na de ander, tegen de
[blz.57]
schijf 29 van B afgegeven hebbende, met zijnen dam 5 de schijf 9 en de dam van B zal meester worden. In dat geval A een dam tegen de drie schijven van B, 31, 40 en 48, behoudende, zou de remise van het spel alsdan ook onbetwisbaar zijn.
Dit alles ingezien zijnde, blijft B dan niets overig, daar hij van zijnen kant de remise vermijden, en A verpligten wil, om het spel daartoe te dwingen, dan met zijnen dam 3 op 21 te spelen.
A. 5 op 9.
A van zijnen kant door de gesteltnis van zijn spel niet genoopt kunnende worden, om iets meer dan de remise te begeeren, en niet willende afzien van B te dwingen, hetzelve te moeten zien en goed gedoogen, speelt ten dien einde met zijnen dam 5 op 9.
B. 31 op 26.
B ziet uit de gestelheid zijner drie schijven 29, 40 en 48, dat geen van dezelve werken kan, zonder door A met wederzijds voordeel vermeesterd te worden. Wat aangaat, om met zijnen dam te spelen, vindt hij nergens voordelig, wel nadeelig te kunnen zijn. (1) Speelt hij op 3, alsdan gaat A wederom op 5, van waar hij kwam. Dit onophoudelijk over en weder spelen, door A van 9 op 5 en van 5 op 9, en door B van 21 op 3 en van 3 op 21, zou tot eene reden en bewijs aan B moeten verstrekken, om de remise van het spel te moeten erkennen. (2) Op 7 of 32 te spelen, kan niet geschieden, zonder door A geslagen te worden. (3) Op 12, of 16, of 37, of 43 te spelen, verbiedt zich van zelve, naardien A dan eerst zijne schijf 20 tegen 29 van B zou afgeven, en dan daarop, door het spelen met zijnen dam 9 op 5, eene schijf en de dam van B zou slaan, en het spel vervolgens win-
[blz.58]
en. (4) Op 26 met den dam spelende, zou A zijn dam op 4 plaatsen. Beide, A en B, hunne dammen daardoor kwijt rakende, zou het spel buiten het begaan van de allergrootste misslagen, mede niet anders als remise zijn.
Er blijft dan voor B niets overig, zoo hij het te keer gaan van de remise zoo lang rekken wil, als mogelijk is, dan met zijne schijf 31 op 26 te spelen, hetgeen hij ook doet.
A. 15 op 19.
A moede zijnde, dat B het spel niet wil remise geven, zonder door het uiterste daartoe gedwongen te worden, besluit de laatste hand daaraan te leggen, door 15 op 19 te spelen.
Waar nu B, hetzij met een zijner schijven, of met zijnen dam, ook spelen moge, zoo kan dit geene verandering in het voornemen van A te weeg brengen, die vast besloten heeft, om eerst met 20 op 25, en dan, na het slaan van B, met 10 op 15 te spelen, waarna A de remise terstond volvoeren kan. Het eenige, dat B nog zou kunnen doen, is, zijne 29 door 19 van A te laten slaan, met oogmerk, om door 26 te zoeken, een tweede dam te bekomen; doch daar A zulks zou kunnen verhinderen, door middel van zijnen dam 9 op 23 te spelen, en daar zijn spel dam ruim zoo sterk als dat van B zou zijn, wie ziet dan niet, dat B het zoo veel van zijn belang zou moeten achten, om de remise van het spel te zoeken, als A gedaan heeft.
B. 21 op 3.
B speelt derhalve als zijn beste schijf, en om het spel van A nogmaals te dwingen, met dam 21 op 3.
[blz.59]
A. 20 op 25.
A speelt, naar zijne vooraf genomene bepalingen 20 op 25.
B slaat met 29 op 20.
A speelt 10 op 15.
B. 3 op 30
B slaat met zijnen dam 3 de schijf 19 van A, en moet zich op 30 plaatsen, wil hij anderszins het spel niet kwijt zijn.
A speelt met dam 9 op 5.
B slaat met 20 op 9.
A. 5 op 21.
En A slaat met zijnen dam 5 de wee schijven van B, 9 en 26, tot op 21, met welken laatsten zet beide de spelers het spel, ten aanzien van elkander, verklaren noodwendig remise te zijn.
Dus meen ik in het voorstel en de bewerking van het voorgaande spel eene proeve gegeven te hebben, dat de waarneming der grondregels en redenen, waarmede men in het damspel moet te werk gaan, door mij bij het spelen van iedere schijf aangehaald, duidelijk doen zien, dat het damspel op remise gemaakt is. Is er derhalve iets in dit werkje, het is de vorige proeve, welke ik oordeel zeer geschikt te zijn, om hen, die nog weinig vorderingen in het damspel gemaakt hebben, meerdere bekwaamheid te doen verkrijgen, wanneer zij eenige oplettendheid aan dezelven besteden willen.
Gelukt het hen, niet alleen de loop en werking van het spel over het geheel, maar ook de inzigten, waarmede iedere schijf gespeeld is, te bevroeden, en daaruit te leeren, om dezelve van tijd tot tijd op de spelen, welke zij spelen mogten, over te brengen, dan houd ik mij verzekerd, dat zij daardoor het geheimzin-
[blz.60]
nige van het spel, ten minste iets daarvan, leeren moeten, zoo anderszins het je nes ais quoi (ik weet niet wat) van het spel door voorbeelden en proeven te leeren zij. Dit bereikt hebbende, mogen zij wijders hunne vinding verrijken, om boven de regels heen tot alle kracht en hoogte in het spelen te geraken, waardoor zij, ook met eene goede uitkomst, zullen weten te spelen tegen de zoodanigen, die, ofschoon een gegrond denkbeeld van het spel hebbende, nogtans in kracht van vinding en doorzigt bij hen te kort schieten.
Maar indien het waar is, dat twee spelers, die beide uit ervaring van het spel geleerd hebben, zulk ene bestuur en handelwijze het best te zijn, en daarom zulk eene leiding tot een grondslag van hun spelen aangenomen hebben; indien zij, zeg ik, gestadig naar die grondregels spelen, niet hun spel dan niet altoos eenvormig, en daardoor iets van het entooninge, van het vervelende verkrijgen? Zeker is het, dat dit in allen opzigte niet te verloochenen zij, bijaldien men met deze vraag het beloop van hun spel over het geheel, en niet eene bijzondere en stipte navolging van schuif tot schuif bedoelt. A en B zijn beide, in het voorgaande spel, somtijds in de gelegenheid geweest, de beurt van de eene schuif voor de beurt van eene andere schuif te hebben kunnen spelen; doch dewijl zij wederzijds daarin mede met gegronde oogmerken zouden te werk gegaan hebben, zou hun spel, eenige kleine uitzonderingen daarvan ter zijde gesteld, op eenerlei ontwerp berusten, en over het geheel weinig verandering ondergaan hebben. Dezelfde attacque, of aanval, waarmede B de grond leidde, om het spel te ontwikkelen, door middel van de zes schijven, zoo van hem als van A, los te maken en in werking te brengen,
[blz.61]
zal meestal in een spel, hetgeen door twee spelers gespeeld wordt, die beide de grondregels kennen, en tevens overeen komen, om naar dezelve te spelen, zoo niet volkomen en in alle deelen, ten minste eenigermate en van dien aard voorvallen.
Men verwacht daarom niet, dat twee zulke spelers, als wij in A en B ondersteld hebben, altoos die verdrietelijke wijze van spelen houden zullen, dat zij u nooit anders als eenerlei spel vertoonen zullen. Het damspel, zoo als ik reeds elders gezegd heb, is ingerrigt, om tot een spel, eene verlustiging, eene werkzaamheid van den geest te verstrekken. Hoe weinig zou nu aan dit oogmerk, aan de lust van twee spelers voldaan zijn, zoo zij beide bepaaldelijk en altoos op eenerlei wijze speelden, op eene wijze, wleke hen, door de ondervinding van het spel, geleerd was de beste grondregels en manier van spelen te zijn.
Hunne bezigheid daarin zou ten laatste iets van het automatische, van het werktuigelijke verkrijgen.
Dan, daar de kennis van het spel, waarvan de ondervinding zulke goede spelers heeft in staat gesteld, om eene zekere leiding voor de beste te achten, hen wijders kan bekwaam maken, om doorzigt en schranderheid in alle voorkomende gelegenheden en gesteltenissen van spelen verder aan te kweeken en uit te breiden, indien zij namelijk eene bijzondere geschiktheid van geest daartoe hebben, zoo zullen zij, om dat werktuigelijke te vermijden, en om het damspel den aard van een spel te doen behouden, zelden een spel spelen, of ten einde brengen, waarin zij niet van hunne bepaalde leiding en regels zullen afwijken. Ontmoet men nu deze manier van spelen bij twee spelers, die, aan den eenen kant, eene grondige kennis van den loop van
[blz.62]
het spel hebben, en aan den anderen kant tevens door hun vernuft in het spel, boven de regels heen, in alles wat schranderheid van ontwerpen en vooruitzigten betreft, aan elkander gelijk zijn, dan zullen de zoodanigen, schoon tegen de regels spelende, het spel mede doorgaans doen remise eindigen. Laat ons onderstellen, dat A en B niet alleen eene doorwrochte kennis van het spel, maar ook de uiterste bekwaamheid en trap van vernuft daarin, tot het maken van listige en bedekte ontwerpen, bereikt hebben, en dat zij met die begaafdheden een spel met elkander, tegen hunne aangenomene en bepaalde leiding aan, dien wij de naam van grondregels geven,spelen. A, het eerst van de regels van zijn spel afwijkende, zal daarop terstond zich voor het nadeel daarvan weten te behoeden, door middel van de ver vooruitziende ontwerpen, waarmede hij het spel van B zal lagen liggen, die zekerlijk in zulk ene geval zou kunnen te kort schieten en zijn spel verliezen, zoo hij, bij de kennis eener gegronde leiding van het spel, tevens niet alle doorzigt had, om de voorgenomene aanslagen van A, hoe ingewikkeld ook, te bespeuren. Dit wapent B van zijnen kant, om terstond op zijne hoede te zijn, en voor de uitwerkselen der ontwerpen van A zich beveiligd hebbende, onderstaat hij op zijne beurt, om A, zoo ik mij dus mag uitdrukken, een web te weven; doch deze even doorzigtig zijnde, in hetgeen zijne partij op de bedekste wijze te willen benadeelen, weet mede al den toeleg te voorzien en te verijdelen. Wie ziet dus niet, dat als eene gelijke afwijking der aangenomene leiding van het spel door een wederzijds vermogen van doorzigt en beleid vergoed wordt, het spel wederom in evenwigt
[blz.63]
geraakt en daardoor op remise staat. Twee spelers derhalve, die dit hoogste toppunt genaderd zijn, kunnen altoos het spel tot remise brengen, ofschoon zij tegen de grondregels spelen, mits dat zij die nogtans kennen.
Doch dit is dus niet gelegen met hen, die in alles, wat zij spelen, wel naar de aangewezene leiding te werk gaan, maar nogtans die begaafdheid en schranderheid van vooruitzigten derven. Gebeurt het, dat de zoodanigen een spel spelen zullen met iemand, die daarenboven die doordringendheid in het spel heeft, dat hij zich niet bij de grondregels behoeft te bepalen, zoo zullen zij niet bestand zijn, maar hun spel verliezen moeten. De laatste, van de regels afwijkende, zal hen daardoor dwingen, mede van de regels af te gaan, en dus in positiën te vervallen, waarin zij die vaardigheid van geest niet hebben, om hun spel te kunnen verdedigen, als wel de andere heeft, om hen te verschalken, en te verpligten, de minderheid hunner krachten te moeten erkennen.
Om dit vermogen te bereiken, weet ik geen beter middel, dan dat men, naar de aangewezene gronden, eerst eene goede leiding van het spel tracht te verkrijgen, en dat men vervolgens zijne eigen geest te baat neemt, om te leeren van die grondregels schadeloos af te wijken, als de gesteltnis van een spel zulks komt te vorderen, of als men zich in staat wil stellen, tegen de zoodanigen te spelen, die bij de kennis van den loop van het spel, boven de regels heen, op alles gevat zijn, om door middel van de wijdste vooruitzigten eenig voordeel te krijgen.
Tot het eerste heb ik, onder anderen, de voorafgaande proeve van een remise-spel medegedeeld, en tot het andere zal ik het overig gedeelte van dit werk besteden.
[blz.64]
De partij in hedendaagse notatie:
01. 33-28 18-23 02. 39-33 12-18 03. 44-39 07-12 04. 50-44 01-07 05. 31-27 17-21 06. 37-31 21-26
07. 41-37 20-24 08. 34-30 14-20 09. 30-25 10-14 10. 27-22 18x27 11. 31x22 12-17 12. 36-31 17-21
13. 31-27 08-12 14. 33-29 24x33 15. 38x18 12x23 16. 42-38 07-12 17. 47-42 12-17 18. 46-41 20-24
19. 40-34 02-08 20. 41-36 08-12 21. 36-31 12-18 22. 34-30 14-20 23. 25x14 09x20 24. 38-33 04-09
25. 42-38 20-25 26. 44-40 25x34 27. 40x20 15x24 28. 49-44 05-10 29. 44-40 10-15 30. 39-34 24-29
31. 33x24 19x39 32. 28x08 17x28 33. 32x12 21x41 34. 43x34 26x37 35. 08-02 11-17 36. 12x21 16x27
37. 48-42 37x48 38. 02-16 48x25 39. 16x46 25-39 40. 46-19 06-11 41. 19-37 39-48 42. 37-28 11-16
43. 28-22 09-14 44. 22-28 14-20 45. 28-17 20-24 46. 17-50 48-26 47. 50-44 16-21 48. 40-34 26-48
49. 35-30 24x35 50. 45-40 48x25 51. 44-50 35x44 52. 50x26