TIENDE HOOFDSTUK [15]
Aanwijzing der twee proeven van vijf dammen tegen twee dammen, voorgesteld in het zesde Hoofdstuk »126.
[15] In dit hoofdstuk de oplossingen en toelichting op de oplossing
(Aanwijzing van de 1. proeve)
(13) A. plaatse zijne vijf dammen op 1,2,11,13 en 22. B, zijne twee dammen op 5 en 46 geplaatst hebbende, kan nu nog eene vrije schuif doen, hetzij 5 op 41, of 46 op 10 spelen. A alsdan zijn No. 1 op 17 gespeeld hebbende, zoo kan B nergens eene zijner dammen plaatsen, zonder het spel op eene manier te verliezen, die zich nu als van zelve aanwijst.
(Aanwijzing van de 2. proeve)
(14) A plaats zijne vijf dammen op 5, 11, 18, 21 en 40, wanneer B zijne twee dammen op 1en 50 geplaatst heeft. A de beurt van te spelen hebbende, speelt met op 18 op 14. Nu kan B geene schuif doen, zonder het spel te verliezen. Vooreerst, speelt hij met zijnen dam 50, waar zal hij gaan? Op 28,34 of 39? Doch dan laat A hem met 1 zijne twee dammen 11 en 14 slaan. Gaat hij met denzelfden dam 50 op 17, zoo speelt A met 21 op 12, en behoudt daardoor vier dammen tegen eenen dam.
Ten andere, speelt B met zijnen dam 1, waar zal die het spel voor verlies beveiligen? Op 17 kan hij niet, gelijk duidelijk te zien is. Op 28 of 34, zoo geeft A eerst zijn dam 40 op 45 af, vervolgens zijn dam 11 op 6, en dan 21 op 12, waardoor hij met 5 de twee dammen van B vermeesterd. Gaat B 1 op 39 plaatsen, zoo speelt A met 11 op 44. B slaat dan met 39 tot op 48. A geeft daarop zijne twee dammen 40 en 14 aan 50 van B te slaan, en slaat daarna met 5 tot op 32, waarmede A vervolgens het spelt wint.
| 13 (1.proeve) | 1. ... 01-45 2. 46-19 45-01 3. 19-23 01x42 4. 47x33 50x31 5. 36x04 |
| 14. (2. proeve) | 1. 33-39 05-23 2. 36-41 46x44 3. 50x05 1. 33-39 05-32 2. 36-41 46x37 3. 26x48 1. 33-39 46-32 2. 15-10 05x44 3. 50x46 1. 33-39 46-19 2. 15-10 05x14 3. 36-41 19x46 4. 26-37 46x44 5. 50x05 |